Preek van de Week – Zondag 11 december 2016

Jesaja 35, 1 – 10
Matteüs 2, 1 – 11

I
‘Ben jij degene die komen zou of moeten we een ander verwachten?’ Johannes kan het niet meer persoonlijk aan Jezus vragen. De leerlingen van Johannes, die hem opzoeken in de gevangenis, moeten de vraag overbrengen. Later zullen ze terugkeren met het antwoord van Jezus. Vreemd eigenlijk, bedenk ik me nu. Had hij zelf niet even tijd vrij kunnen maken om Johannes in de gevangenis op te zoeken? Johannes heeft het zwaar. Zijn cel is een dodencel. Profeten, die verkondigen dat de bijl aan de wortel van de boom ligt, kunnen reactie verwachten van de hoge bomen van het land. Zij zullen hem voor zijn met hun bijl. Niets wijst erop dat Jezus met zijn hemelse machten Johannes komt bevrijden.

‘Ben jij degene die komen zou of moeten we een ander verwachten?’ Het is ook onze vraag. En tegelijk schaam ik me om dat zo te zeggen. Want wij stellen die vraag in alle vrijheid. Wij hebben ook zo onze twijfels of Jezus wel het antwoord is op de machten die zich breed maken in deze wereld. Maar het zijn andere twijfels dan die van Johannes. Wij zien machtsverhoudingen verschuiven. Wij zien hoe onze vrolijke vrijheid en onze kostbare verworvenheden onder druk staan. En we zouden willen dat de hemel ons te hulp komt en het tij komt keren. Maar we weten niet of we dat nog kunnen vragen. En aan wie. ‘Het wordt alsmaar minder, dominee!’ Zo overstemmen we Johannes in zijn dodencel. We weten het. Maar we kunnen onszelf niet helpen. Onze eigen zorgen zitten ons te hoog.

‘Ben jij degene die komen zou of moeten we een ander verwachten?’ Zolang je maar dat kind wilt zijn in onze kribbe, Jezus, ben jij degene die wij hartstochtelijk verwachten. Wij vluchten naar je toe. We tellen de dagen af naar Kerst. December is de maand om alles even te vergeten. Om de hemel naar ons toe te trekken en ons te koesteren aan het licht. En dan maar hopen dat we voldoende warmte weten op te slaan voor als het januari wordt en Donald Trump met zijn gevolg het Witte Huis van Barack Obama overneemt. De vraag ‘Ben jij het Jezus?’ keert dan als een boemerang terug. En eigenlijk is het antwoord al gegeven. Mensen verwachten een ander. Het Kerstfeest duurt niet lang genoeg om het chagrijn te verjagen en de pest in het lijf te genezen. Er is te veel om te verliezen en te weinig om voor te vechten. Laat sterke mannen het maar doen. Hier hebben ze ons ‘nee’ tegen alles wat ons dwars zit.

II
Is dat het moedeloze volk, tegen wie de profeet Jesaja zegt: ‘Wees sterk en vrees niet, want jullie God komt met zijn wraak. Gods vergelding zal komen, hijzelf zal jullie bevrijden.’? Nee, dat is te veel eer voor boze witte mannen en voor hen die zichzelf louter als slachtoffer zien. En toch… In de Naardense vertaling heet dat moedeloze volk: ‘de gehaasten van hart’. Zijn dat ook niet de mensen die de maatschappelijke veranderingen niet meer bij kunnen benen? En hoort daar ook niet ieder mens bij die het niet meer lukt om alle ballen in de lucht te houden – opgejaagd om productie te maken, om bij te blijven, om zelfredzaam te zijn? Mensen zoals u en ik – ‘de gehaasten van hart’? Horen wij bij hen, die de profeet Jesaja op het oog had: de mensen die voortdurend een goed heenkomen moeten zoeken, omdat niemand er van gediend is hen in hun midden te hebben? Vluchtelingen – werkloze contractarbeiders – minderheden met hun malle fratsen? Is onze nood hoog genoeg om in een adem met hen genoemd te willen worden? In een adem met dat volk van wie God heeft gezegd: ‘Míjn volk!’?

III
Johannes de Doper sprak de taal van Jesaja. Hij zocht niet voor niets de woestijn op om zich de woorden van Jesaja eigen te maken: ‘De woestijn zal zich verheugen, de dorre vlakte vrolijk zijn, de wildernis zal jubelen en bloeien.’ ‘Kom tot inkeer,’ preekte Johannes. ‘De bijl ligt al aan de wortel van de boom. In mijn spoor komt er een die meer vermag dan ik. Hij zal de dorsvloer reinigen, het graan bijeen brengen en het kaf verbranden met onblusbaar vuur.’ (naar Mat. 3, 10 e.v.)  Dat was zijn vertolking van wat ooit Jesaja had geroepen: ‘Wees sterk en vrees niet, want jullie God komt met zijn wraak. Gods vergelding zal komen, hijzelf zal jullie bevrijden.’

Maar het eind van het liedje is de dodencel waarin hij zit. Zijn krachtige kritiek gaat hem letterlijk de kop kosten. Geen God die hem komt bevrijden. Geen Jezus die het kaf komt verbranden in de paleizen van koning Herodes. Vandaar de klemmende vraag aan het adres van Jezus: ‘Ben jij degene die komen zou of moeten we een ander verwachten?’

Het antwoord van Jezus luidt: ‘Zeg tegen Johannes wat jullie horen en zien: blinden kunnen weer zien en verlamden weer lopen, mensen met huidvraat worden gereinigd en doven kunnen weer horen, doden worden opgewekt en aan armen wordt het goede nieuws bekendgemaakt. Gelukkig is degene die aan mij geen aanstoot neemt.’

Machtige woorden. Dat zeker. En als ze waar gebeurd zijn, dan kun je toch niet anders zeggen dan: ‘Ja, hij is het en geen ander!’ Want wie kan er nou doden opwekken? En toch zegt Jezus niet: ‘Ik ben het. Dat zie je toch zo?’ Er is iets dat het ondoorzichtig maakt. Het zou zelfs niet vreemd zijn om aanstoot aan Jezus te nemen. ‘Gelukkig ben je, als je dat niet doet,’ zegt hij. Maar blijkbaar is er alle reden voor. Hij is niet de man, vol in de schijnwerpers, die alle dingen naar zijn hand zet. Hij dringt zich niet aan je op als een Godenzoon die alles kan.

De kerk heeft het hier lang vol gehouden om te zeggen: ‘Natuurlijk is Hij het en geen ander. En het is allemaal waar gebeurd!’ Maar met haar snel tanende invloed, verloor de kerk ook haar stelligheid. Eerst was het de wetenschap die haar waarheid betwistte. We mogen de wetenschap daarvoor dankbaar zijn. Nu leert de kerk gaandeweg ontdekken dat horen en zien van wat Jezus teweeg brengt, vraagt om andere oren en andere ogen dan die van de analyticus of die van de orthodoxe hardliner.  Het gaat niet langer om ons vonnis: waar gebeurd of niet waar gebeurd? Wij kijken niet door de microscoop naar Jezus. Hij gaat ons zelf aan, waar wij bang en lamgeslagen zijn of cynisch richting de afgrond lopen van een samenleving waar we ooit trots op waren. Wie zijn cynisme onder ogen ziet of niet doof is voor haar eigen angst, maakt een goede kans om God te ontmoeten. Niet langer als onbetwiste waarheid maar als breekbare nabijheid. Nabijheid die wonderen doet.

Jezus stuurt de leerlingen van Johannes niet naar hem terug met een kant en klare boodschap. Het zijn geen boodschappenjongens.  Jezus vraagt hen om te zien met andere ogen en om te horen met andere oren. Wie zoekt naar die ene met de wan in de hand om de dorsvloer te zuiveren; wie zoekt naar die ene met de bijl in de hand om de hoge bomen te vellen, die ziet de redder van de wereld zomaar over het hoofd.

IV
Had Johannes dan ongelijk toen hij tegen de mensen zei: ‘Na mij komt iemand die meer vermag dan ik.’? Nee, net zo min als Jesaja ongelijk had toen hij zei: ‘De woestijn zal zich verheugen, de dorre vlakte vrolijk zijn.’ Soms moet een mens dingen zeggen die hij zelf niet waar kan maken omdat ze voorbij zijn eigen horizon liggen: Hoe zou de wildernis ooit kunnen jubelen? Je hebt het nog nooit gezien. Je hebt het nog nooit gehoord. En toch. Je moet het zeggen. En met dat je het zegt, weet je dat het waar is.

Zo was het ook met Johannes. ‘Na mij komt iemand die meer vermag dan ik,’ sprak hij. Meer dan ik. Maar hoeveel meer en hoe dan, dat antwoord kon Johannes alleen maar geven in krachtige beelden en baanbrekende woorden. Beelden en woorden, boven hem zelf uit. Maar met die woorden en die beelden vang je niet wie en wat aanstaande is. God zelf moet komen om ons de ogen en de oren ervoor te openen. God komt van voorbij elke menselijke horizon. Maar als hij komt, dan komt hij zo nabij. Dichter dan je durfde dromen. Dichterbij dan de man met de wan in de hand, die de dorsvloer komt zuiveren. Dichterbij dan de man met de bijl in de hand, om die aan de wortel van de boom te leggen. Door nabij te komen, dichter dan je durfde dromen, daar waar alles pijn doet of zelfs dat niet meer, zo legt hij de bijl aan de wortel van de trotse oude tijd. Zoiets verzin je niet. Zelfs het gezegd krijgen is niet genoeg. Het moet aan je gebeuren. En het gebeurt aan je. Dat is wat hij doet van wie Johannes zei: ‘Na mij komt iemand die meer vermag dan ik.’

Dat blinden zien en doven horen; dat lammen springen als een hert en doden worden opgewekt; dat armen goeds gezegd wordt, dat zie je niet als je God zoekt tussen de alleskunners, tussen de zuiveraars en de haviken. Maar wie zich door God laat vinden, daar waar zijzelf niet weet waar zij het zoeken moet, daar gebeuren wonderen. Het kan niet, zeggen wij, dat doven horen en blinden zien. Maar is dat niet omdat wij zelf blind en doof geworden zijn voor het komen van God in onze duisternis? God, in de gestalte van een nabij en breekbaar mensenkind?

V
Wij leven in onzekere tijden. Velen grijpen stoer naar een laatste strohalm: naar directe democratie die korte metten maakt met alle instituties. Of naar een sterke man die geen pardon kent en namens hen schoon schip mag maken. Omdat het anders nooit meer wat wordt. De kerk zou kunnen denken: ‘Laat maar. Wij trekken ons terug. Wij zoeken onze zekerheid bij God, die alles goed zal maken.’ Begrijpelijk. Zo kan godsdienst werken. Als een vlucht. Altijd nog beter dan dat God en de sterke man twee handen op een buik zijn. Maar dit is niet de weg van de kerk. Deze onzekere tijden zijn haar tijden. En al die mensen die de weg kwijt zijn, zijn haar broers en zussen. Deze onzekere tijden zijn Gods tijd. De kerk viert de komst van Christus niet buiten deze tijden om. Dit zijn de tijden waarin hij is gekomen. En in alle rust beantwoordt de kerk de onrust met haar liefde en haar breekbaarheid. In het spoor van haar Heer.

Soms weten wij het ook niet meer en stellen we de vraag: ‘Ben jij degene die komen zou of moeten we een ander verwachten?’ Dan gaat op zondag hier de bijbel open en komt het antwoord tot ons. Dan vieren we Advent!

In de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest.
Amen

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *