Preek van de Week – Zondag 10 mei ’20

Exodus 19

I
Bij het Koninkrijk der Nederlanden kunnen we ons alles voorstellen. Maar bij een koninkrijk van priesters? Nederland heeft een koning. Nederland heeft een geschiedenis. En – de naam zegt het al – het heeft land. Niet veel misschien, maar het ligt strategisch en is economisch van groot belang. Het kan vlaggen en oranje kleuren. Maar wat is in hemelsnaam een koninkrijk van priesters? Mijn hemel, wat bedoel je als je zegt: ‘Een koninkrijk van priesters zul je zijn, een heilig volk.’ (vers 6)


Over oranje gesproken, ik krijg bij dat koninkrijk van priesters associaties met de Bhagwanbeweging uit de  jaren ’80 van de vorige eeuw. Dat vrijgevochten volk van individuen in hun oranje gewaden, die je overal in de wereld tegen kon komen. Met elkaar verbonden door hun goeroe, die weinig ophad met welke verstikkende bestaande orde dan ook, behalve dan zijn eigen. Ze hadden geen land en toen ze dat wel kregen, omdat de leider zich vestigde in Oregon om er zijn koninkrijkje te stichten voor zijn volgelingen, was dat direct ook het begin van het einde van de beweging.

Nóg een associatie. Een die ik eigenlijk liever niet deel, maar die wel de vinger op de zere plek legt: Wat te denken van de religieus gedreven strijders van Isis, nog vóór ze hun Islamitische Staat uitriepen? Met hun gruwelijke offerrituelen in de strijd met het leger van Irak en in het onderwerpen van andersdenkenden. Er zitten voor ons gevoel gevaarlijke kanten aan een koninkrijk van priesters. Wat zijn we blij met onze seculiere rechtsorde. En wat hebben we dinsdag gevlagd om 75 jaar bevrijding te vieren van het Derde Rijk met zijn religieus geladen ideologie.

II
Een koninkrijk van priesters is een koninkrijk zonder koning en een koninkrijk zonder land. Dat is een vreemd gegeven. Voor een koninkrijk heb je onderdanen nodig. Een koninkrijk heeft altijd grenzen. Het kan meer of minder land beslaan, al naar gelang het succes in de strijd met andere rijken in zijn geschiedenis. Een land en een koning ontbreken in dit woestijnverhaal. Ja, er wordt een land beloofd als Israël uittrekt uit de slavernij van Egypte. Een land dat overvloeit van melk en honing. En je voelt al aan dat het straks bonje gaat worden. Want op zo’n vruchtbaar stukje aarde, daar woont natuurlijk al van alles: Kanaänieten, Hethieten, Amorieten, Perizzieten, Chiwwieten en Jebusieten. Allemaal met hun eigen koning. Allemaal op hun eigen plekje in een fragiel evenwicht. Alles goed en wel met die prachtige Bijbelse vergezichten. Maar wie moeten er straks onder het juk daarvan door? Nou ja, dat is van later zorg.  40 jaar is een lange tijd.

Israël heeft geen koning. Israël heeft geen land. En toch zal het een koninkrijk zijn: een koninkrijk van priesters. Een koning is daar niet voor nodig. En land ook niet. Als Israël na een woestijntocht van 40 jaar onder leiding van Jozua Kanaän binnen trekt, wórdt het geen koninkrijk maar ís het dat al lang. En, ja, daar komt inderdaad bonje van. En op een manier waar ik het liefst mijn ogen voor sluit, omdat het te dicht in de buurt komt bij wat IS uitspookt. Ik had het gewoon niet aan moeten halen, want we zitten nog maar net midden in Exodus en die intocht in het beloofde land duurt toch nog 40 jaar. Nee, en toch moet het. Om helderheid te krijgen waarin dit koninkrijk van priesters verschilt van alle koninkrijken, inclusief het onze.

In Exodus 19 waarin het koninkrijk van priesters wordt uitgeroepen over Israël door de hemel zelf, klinken, naast de stemmen uit het onweer op de Sinaï, het bazuingeschal van de ramshoorn (Sjofar) en de lange toon van de jubelhoorn (Joveel). Die instrumenten keren terug in het bizarre verhaal van de inname van de stad Jericho in het boek Jozua. Wel eens van gehoord? Het speelt zich af direct na de intocht in het Beloofde Land. In processie wandelt Israël elke dag om de muren van de stad Jericho, maar op de zevende dag zeven keer. Met voorop geen elitetroepen, maar zeven priesters met zeven jubelhoorns. Hebt u gehoord hoe de muren van de stad ineenstortten op de langgerekte tonen van de hoorns  en de decibellen van het jubelende volk?

‘Niet echt gebeurd!,’ roepen we dan als weldenkende mensen. Ik mag het hopen, want dan is ook die slachting die er op volgt niet echt gebeurd – u weet wel, kinderen en grijsaards incluis. Ik mag het hopen. Maar hier wordt wel iets duidelijk van wat bedoeld wordt met een koninkrijk van priesters en een heilig volk. Het is een volk dat leeft van deze verhalen in plaats van het verheerlijken van de eigen geschiedenis. Het is een koninkrijk, dat weet dat het zijn territorium niet kan verdedigen met slimme wapens. Het hééft namelijk geen territorium. Het land is gegeven. En het blijft gegeven. Nooit wordt het eigen territorium.

III
Het lange hoofdstuk over het volk aan de voet van de berg Sinaï en de openbaring van de Eeuwige op de Sinaï is het voorspel van wat komen gaat: het ontvangen van de Tien Woorden als leefregels van het verbond tussen de Eeuwige en Israël. Daarmee zijn we in het hart van het boek Exodus beland.

Ik weet nog steeds niet wat ik aan moet met dat koninkrijk van priesters en dat heilig volk. Misschien u? Kijk wat daar staat onder aan de berg: vrouwen, mannen, kinderen, ouderen – allemaal met de slavernij nog in het lijf en tussen hun oren. Als heel de gemeente van Israël uit één mond antwoordt: ‘Al wat de Eeuwige heeft gesproken, zullen we doen!’, wat is dat dan anders dan het slaafs opvolgen van de bevelen  waarin Egypte hen heeft gedrild?

Maar ik hoor ook dat beeld van de bergarend, cirkelend rond de top van de Sinaï – de stem van de Eeuwige: ‘Ik draag u op vleugels van arenden en doe u komen tot mij.’  (vers 4) Dan zie ik ze gaan over alle grenzen – het volk dat geen kant op kon. Bevrijd van alle banden die een mens knechten. Niet een nieuwe oekaze, maar leven in vertrouwen in het hart van de woestijn. Buiten het bereik van koningen en goden. En dan ineens ontdek je: Hier wordt niets afgedwongen. Hier gebeurt iets wat nooit vertoond is in de geschiedenis van een god met mensen. Hij wil hen écht als partners: niet de voormannen, niet de hogepriesters, niet de legerleiding, maar heel het volk – vrouwen en kinderen voorop, grijsaards, jong en oud.

Vandaar dat eindeloze heen en weer van Mozes tussen de Eeuwige en het volk. Het lijkt er op alsof God het liefst de Sinaï af zou stormen om al die gemankeerde mensen in zijn armen te sluiten. Niet omdat hij hen zielig vindt, maar omdat hij zijn hart aan hen verloren heeft. Of moet ik misschien zeggen ‘zij’ als je dat beeld van de dragende vleugels van de arend goed op je in laat werken. Hier is geen sprake van eenrichtingsverkeer. Hier wordt een verbond gesmeed. Als het volk als uit één mond antwoordt: ‘We zullen doen wat we hebben gehoord!’, is dat aan alle slaafsheid voorbij. Met de pijn in het lijf en de litteken in hun ziel, weten ze zich vrij. Alleen blijft het behelpen om als God en mensen zo van elkaar te houden. Want hoe doe je dat?

Ze hebben geen oranje jurken aan. Ze gaan niet gehuld in het zwart. Ze hebben zich gewassen. Dat wel. Om als nieuwgeboren mensen voor hun God te kunnen staan. Het priesterlijke zie je niet aan hen af. En met religie heeft het weinig van doen. Maar alles met bevrijding en met het ongelooflijk verhaal van deze ene God die zijn liefde verklaart aan een volk dat nergens op kan bogen. Niet op een koning en niet op een koninkrijk.

Er zit iets tegenstrijdigs in de lezing uit Exodus. Het volk mag zich niet op de berg wagen. Want dat zouden ze niet overleven. Maar er staat ook: als de langgerekte tonen van de Jubelhoorn klinken, dan mogen ze de berg opgaan. Die jubelhoorn, dat is me wat! Weg met alles wat normaal was!: het strenge onderscheid tussen wat van God is en van mensen, weg met de muren zonder dat ze eerst kapotgeschoten moeten worden. Er is nóg een lezing waarin de jubelhoorn klinkt: de aankondiging van het jubeljaar, elk 50e jaar, waarin alle schulden worden kwijtgescholden en alle slaven de vrijheid terug ontvangen. Knotsgek! Niet normaal toch?

IV
Lieve mensen, dit is alweer de achtste Digidienst op zondag – ‘Thuis in de Nieuwe Kerk’. We zitten in het hart van het boek Exodus. Maar wij weten niet of we al in het hart van deze crisis zijn beland en hoe lang het nog gaat duren voor wij elkaar weer kunnen ontmoeten in de Nieuwe Kerk. Veertig jaar zal het niet worden. Maar of het weer zal worden wat het was? Maar misschien moet dat ook niet. Misschien is dit onze woestijntocht-light. Een tijd om te leren luisteren naar de Jubelhoorn, die een nieuwe toekomst aankondigt, voorbij alles waarvan wij dachten dat het de normaalste zaak van de wereld was.

Amen

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.