Preek van de Week – Zondag 10 juni ’18

Job 2
Marcus 3, 20 – 35

I
Vandaag doen we met de kinderen mee. We lezen uit het boek Job. De kinderen vijf zondagen achter elkaar. Wij in ieder geval twee keer. Andersom zou logischer geweest zijn, want het is een heftig boek. Job overkomt de vreselijkste dingen. Alles waar je als mens bang voor kunt zijn: Rampen, die je kunnen overkomen. Verlies van geliefden. Verlies van gezondheid. Verlies van je onafhankelijkheid. Zaken, waar je geen grip op hebt. Ze gebeuren gewoon. In die zin is het boek Job wel meer geschikt voor kinderen dan voor volwassenen. Kinderen weten uit ervaring dat ze niet aan het stuur zitten. Daar hebben ze ouders en opvoeders voor. Geborgenheid is een groter goed voor kinderen dan onafhankelijkheid en zelfredzaamheid. Voor volwassenen zou dat ook moeten gelden, maar die weten dat nog niet.

Een van de drijfveren van volwassenen om in God te blijven geloven, is de hoop dat die ons behoeden wil voor alle kwaad en domme pech. God, die het mogelijk maakt om zelfredzaamheid hoog in het vaandel te kunnen dragen. God, die je niet in een harnas propt van ‘dit mag wel’ en ‘dat mag niet’, maar jou in de ruimte zet. God, die een onzichtbaar ruimteschild om je heen maakt, waarop de grote gevaren afketsen en waardoor jij kunt floreren – nu en tot in eeuwigheid. Geloven in zo’n God is een goede reden om in de bubble van de geloofsgemeenschap te blijven, toch? Wat zoeken wij hier anders dan wat kinderen vinden bij ouders en opvoeders, zelfs als het minimaal voorradig is: liefde en geborgenheid?

Maar dat maakt het boek Job nu juist zo heftig. Niet het verschrikkelijke wat een mens kan overkomen gooit ons uit balans. Wat dat betreft hebben we al te veel gezien om ons heen, of zelf aan den lijve ervaren. Echt onverteerbaar is het dat er geen onzichtbaar ruimteschild bestaat dat God om zijn liefsten heen bouwt. Als de clou en de functie van de eerste hoofdstukken van Job je ontgaan, dan is wat er verteld wordt niet te pruimen. God en Satan, die in de hemelse gewesten een weddenschap met elkaar aangaan, met als inzet het hele hebben en houden van Job, en zijn ziel en zaligheid. Zonder dat hij er iets van weet, laat staan er toestemming voor gegeven heeft. Precies het tegenovergestelde van een beschermend schild om Job heen.

Het gaat in het boek Job over de vraag of er geloof bestaat dat helemaal belangeloos is. Dus zonder dat er iets voor terug verwacht wordt. Niet: Ik geloof in God en ik hoop dat ik zijn bescherming daarvoor terug krijg. En als er dan onverhoopt toch een ramp of kwaad door het schild heen breekt, dat daar dan tenminste een God achter zit die het toelaat om redenen die ik zelf niet kan bedenken. Nee, niets van dat alles! Alleen maar: Ik geloof omdat ik het niet kan laten. Geloof als vertrouwen dat nergens op is gebaseerd. Om niet dus. Aangeraakt door iets of iemand, zonder dat je het wilde. En je komt er niet meer vanaf.

II
Zoek je naar een bruggetje tussen de twee lezingen van vanmorgen, dan kom je uit bij de satan. Letterlijk: de tegenstrever. Namelijk de bovenmenselijke tegenstrever van God. In de evangelielezing heeft hij een naam: Beëlzeboel. Beëlzeboel is van oorsprong de naam van de God van de stad Ekron. Een van de vijf stadstaatjes in het gebied van de Filistijnen. Het huidige Gaza, maar dan groter en niet omringd door hekken. Ekron, een welvarende stad langs een prominente handelsroute. Beëlzeboel betekent ‘Heer van de Vliegen’. Met deze God hield je de vliegen van je lijf. Wij kunnen ons nauwelijks nog voorstellen hoe belangrijk dat was. Hij voorkwam ziektes. Hij stuurde de vliegen op de vijanden af.

Israël heeft de naam van deze God op Satan geplakt. Dat is vandaag om twee redenen interessant. Laten we uit compassie beginnen bij Job. We vinden hem terug op de komposthoop. Hij krabt met een potscherf zijn zweren open omdat hij gek wordt van de jeuk over zijn hele lichaam. Stel het je voor en je ziet om hem heen de vliegen zwermen, die in de hitte op zijn verminkte lijf afkomen. ‘Hij is in je hand,’ had God tegen Satan gezegd. En ziedaar: Beëlzeboel tast zijn gebeente en zijn vlees aan en stuurt de vliegen aan.

Maar het tweede verband is zeker zo veelzeggend: Satan kan alleen maar geloven in voor wat hoort wat. Hij is de kwaadste niet. Wie voor hem buigt kan op zijn bescherming rekenen, zoals ze ooit in Ekron voor de God Beëlzeboel door het stof gingen. Maar Satan wordt gek van de gedachte dat mensen zouden kunnen geloven, zonder dat er iets voor terug gekregen wordt. Geloven om niet. Het moet niet gekker worden! Daar zit de pijn. En daar zit ook het geloof van Israël. Dat het uiteindelijk niet zo is dat het geloof een kwestie is van ‘Ik geef opdat jij geeft’. Maar dat een mens gekozen wordt en daarin niet weet wat haar overkomt. En daar een ruimte en een liefde in ervaart, waar ze niet meer van af komt. Hoe graag ze soms ook zou willen. Heel je wereld kan instorten. Er is niets dat de pijn verdooft. En toch.. Dit geloof is niet een kwestie van zo kan het ook. Nee, het maakt korte metten met alle vormen van geloven die gebouwd zijn op voor wat hoort wat. Of het nou verpakt zit in Christendom of Islam, in Jodendom of Boeddhisme. Daarom heet Satan de tegenstrever. En niet omdat hij hoorntjes heeft of vuur spuugt. Nogmaals: hij is de beroerdste niet. Hij weet van voor wat hoort wat. Net als ooit Beëlzeboel van Ekron.

III
‘Waarom blijf je zo onberispelijk?,’ vraagt de vrouw van Job, ‘Vervloek God toch en sterf.’ (vers 9). Ze daagt Job uit. Ze kan hem niet meer helpen. Ze kan niet meer leven met zijn onberispelijkheid. Misschien heeft ze vroeger haar hoofd wel eens geschud over zoveel vroomheid, over al die offers en die overvloed aan goede daden voor jan en alleman. Maar zo lang er zegen tegenover stond, kon ze met zijn onberispelijkheid leven. Het paste in het plaatje van voor wat hoort wat. Ook al kon ze er in die mate niet bij.

Maar nu. Haar man is niet om aan te zien. Hij past niet meer in het plaatje. Hij is een buitenstaander voor haar geworden, aan de uiterste rand van het leven. Op de komposthoop. Nog een stap en hij valt over de rand. ‘Doe het!,’ zegt ze. Maak er een eind aan. Neem het leven in je hand. Wees moedig. Vloek God vaarwel. Het is voor haar de enige optie om het schema voor wat hoort wat overeind te houden. En hij verdomt het. Tenenkrommend is het. Hij blijft daar zitten, van God en mensen verlaten. Hij verdomt het om er uit te stappen. En hij verdomt het om zijn God te verdommen: ‘Maar Job zei tegen haar: ‘Je woorden zijn de woorden van een dwaas. Al het goede aanvaarden we van God, zouden we dan het kwade niet aanvaarden?’ Ondanks alles zondigde Job niet en sprak hij geen onvertogen woord.’

Is dat een gelovig hoogstandje of niet? Nou, nee, zou ik zeggen. Want een mens als Job is niet meer tot hoogstandjes in staat. En alles protesteert in mij als iemand van mij vraagt het kwade uit Gods hand te aanvaarden. Het vloekt met mijn geloof in God die liefde is. Het liefst verzinnen we de meest slimme redeneringen om dat geloof hoog te houden; om alle ellende en al het kwaad als plaatjes een plek te geven in onze boodschap dat God liefde is. Want dat geloof is ons heiliger dan al die mensen, stuk voor stuk, mensen zoals Job, in het gezicht te zien. Want vandaag hij en morgen misschien ik. En dan blijft er niets heel van mijn gepreek dat God liefde is en zo.

‘Je gepreek is het gepreek van een dwaas,’ zou Job tegen mij zeggen. In alle volgende hoofdstukken gaat Job helemaal los tegen zijn vrienden. Zij hebben alle drie ook hun verhalen over hoe het zit met God en met de mensen. En dan hebben zij nog meer recht van spreken dan ik. Zij waren in staat om zwijgend een week lang bij hem te waken. Niet wachtend tot hij dood ging. Maar wakend bij zijn eenzaamheid en zijn lijden en bij het onbestaanbare dat Job is overkomen.

‘Al het goede aanvaarden we van God, zouden we dan het kwade niet aanvaarden?’ Job doet met die vraag een gooi naar God, die niet bestaat uit de optelsom van al het goede en daar dan het kwade van afgetrokken, zodat wat onder de streep overblijft God mag heten. Hij trapt ook niet in de val om het kwade aan Satan toe te schrijven en het goede aan God. Al had dat heel goed gekund als hij had geweten wat zich daar achter de hemelse coulissen heeft afgespeeld. Maar Job doet het niet. Hij doet een gooi naar die God, van wie hij nu op de komposthoop weet dat hij hem heel zijn leven zonder voor wat hoort wat gediend heeft. Hij doet een gooi naar God, die het sommetje met het goede en het kwade ontstijgt. Wat zal Job nog tekeer gaan tegen God en tegen zijn vrienden. Lees het hele boek. Maar zondigen zal hij niet in de zin dat hij God en zichzelf zal opsluiten in het schema van voor wat hoort wat.

IV
Vindt u deze preek te moeilijk en houdt u het geloof graag eenvoudig, dan is voor die eenvoud alle ruimte. Als het maar de eenvoud is van trouw aan Job. In zijn nabijheid blijven en niet wegkijken, ook als dat al je denken over God naar de achtergrond verdrijft. Trouw blijven aan mensen aan de rand, zonder dat je kunt overzien wat die trouw betekenen zal voor jouw leven, raakt het hart van het geloof. Simpel is het niet. Eenvoudig is het wel. In de zin dat je maar een ding te doen staat: de ander in zijn nood niet uit het oog verliezen.

Daar, aan de rand van al ons kunnen en ons weten, zal God zich laten zien. Niet omdat wij naar hem vroegen. Maar omdat hij er bij wil zijn om redenen die mij en u ontgaan. Job als eerste ziet God komen vanaf de komposthoop. Hij roept, voorbij zijn eigen protest en ver voorbij de theologische hoogstandjes van zijn vrienden: ‘Ik weet dat mijn Bevrijder leeft. Aan de achterkant van de dingen (dat is waar de komposthoop is) zal Hij opstaan.’ (Job 19 vers 25)

In de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest. Amen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *