Preek van de Week – Startzondag 16 september ’18

Lucas 19, 1 – 10

I
De startzondag moet een boost geven. Hij moet iets extra’s hebben. Hij moet een slinger geven aan de samenwerking tussen onze wijkgemeentes. Vandaar de keuze voor het thema door de startweekcommissie: ‘Ja, ik wil!’ Nou heb ik het probleem dat ik bij die woorden altijd moet denken aan Herman Finkers, die voor het altaar zijn aanstaande van de zijkant bekijkt, en het ‘Ja, ik wil!’ niet over zijn lippen krijgt. ‘Laten wij het maar proberen’ is voor de pastoor niet genoeg. Voluit ‘ja!’ moet er klinken. Als de pastoor voor de derde en laatste keer de vraag stelt ‘Neemt u haar aan als uw vrouw enzovoort enzovoort?’, klinkt er eindelijk dat bevrijdende ‘Ja!’. Na een korte stilte gevolgd door ‘Laten wij het maar proberen.’

Wel vervelend voor de startweekcommissie dat ik deze associatie heb. De commissie werkt zich een slag in de rondte om iedereen op te peppen voor een nieuw seizoen. Zie de voorkant van de orde van dienst. En in plaats van dat ik bij de woorden ‘Ja, ik wil!’ denk aan al die ontroerende momenten, vol passie, bij de bevestiging van een huwelijk, denk ik aan Herman Finkers. En het wordt er niet beter op als ik me dan ook nog eens zijn opmerking herinner, verderop in dezelfde show: ‘Ik heb mijn vrouw leren kennen in Assen. We waren toen precies vier jaar getrouwd. En dat was het moment om uit elkaar te gaan.’

II
Dat is het mooie van humor. Humor laat jou in de spiegel kijken. Humor laat de dingen zien, waar jij je ongemakkelijk bij voelt. De hartelijke lach ligt heel dicht tegen dat ongemakkelijke gevoel aan. Het haalt de druk er wat af. Het geeft lucht. In de kerk wordt er niet zo veel gelachen. Je telt er meer denkrimpels dan lachrimpels. En eigenlijk is dat gek. Want het antwoord op het evangelie is de bevrijdende lach. Niet het gebogen hoofd. Niet de opgestroopte mouwen. Maar de bevrijdende lach. Het ruime zicht. Ja, dat wil ik! En dat wensen we elkaar hier toe.

In die bevrijdende lach komt alles los wat ons dwars zit, ook als verschillende kerkelijke gemeentes: De hardnekkige patronen die je alleen maar ziet bij de ander, omdat ze verschillen van de eigen patronen. Het getob van de ander, dat de eigen zorgen zo heerlijk weet te maskeren – ‘Nee, daar hebben wij geen last van.’ Het begint allemaal te dansen in die ene klaterende lach. ‘Want de mensenzoon komt om te zoeken en te redden wat verloren is.’ (Luc. 19, 10), zegt het evangelie.

Zou dat ons probleem zijn, dat we vinden dat er niets te lachen valt? Dat het onze diepste overtuiging is dat de teloorgang van de kerk een ernstige zaak is en dat stad en wereld naar de ratsmodee gaan zonder ons? Zou het kunnen zijn dat het thema van de startzondag ‘Ja, ik wil!’ uit onze tenen moet komen en meer te maken heeft met het aanboren van onze laatste krachten, dan met de hartelijke lach om onze pretenties?

Maar zijn we het dan niet aan onze stand verplicht om er nog iets van te maken als kerk? Om nog een keer alles wat de moeite waard is in de etalage te zetten? Nee. Lachen om onszelf, dat is ons hoogste goed. Jezelf de tranen lachen en weten dat in die tranen alles mee komt aan verdriet, aan gemiste kansen, aan schaamte over wat nooit had mogen gebeuren. Alles open voor Gods aangezicht. Alles wat niet in jouw kraam te pas komt. Hoe aanstekelijk kan dat lachen zijn! En verbaas je dan niet als voorbijgangers je winkel komen binnenstappen. De zelfden die nog nooit een blik in je etalage hadden geworpen, terwijl jij nog wel vond dat je die zo mooi had ingericht. Veel mooier dan de etalage van die andere gemeentes.

Donderdagavond, vorige week. Het Festival van de Geest. Ik noem het, op het gevaar af dat ik de etaleur ga spelen. Vier jonge mensen vulden het programma. Ze hebben niets met de kerk. Wel met het leven. Schaamteloos. Creatief. Om te janken zo erg en zo mooi. Ze brachten mij dichter bij het evangelie dan het mij lukt om u daar te brengen op een gewone zondag. Gaan stad en wereld naar de ratsmodee zonder ons? Nee dus! Maar zolang wij bestaan, zijn wij wel de getuigen die deze jonge mensen mogen faciliteren. Zodat het heilige op kan lichten in hun performance en een kerkgebouw tot haar bestemming komt. Misschien anders dan gisteren. Maar niet minder.

III
Hoogste tijd om in het verhaal over Zacheüs te stappen. Jezus komt aan in de stad en trekt er doorheen. Wat is onze plek in dit verhaal? Ik zou denken: zo dicht mogelijk langs de route. Wij weten wie we verwachten. We zijn gemotiveerd. We waren er al vroeg bij. Misschien bakkeleien we onderling wat over wat de beste manier is om je voor te bereiden op de komst van Jezus; wat zijn missie is en wat onze rol daarin. Alle drie de wijkgemeentes hebben zo hun ideeën daar over. Maar allemaal zijn we gedreven door een hartstochtelijk ‘Ja, ik wil!’. En ondertussen horen we in het evangelie over Zacheüs, hoe hij Jezus wilde zien, om te weten te komen wat voor iemand het was – iets wat voor ons geen vraag meer is. Wij hebben onze mening over Jezus al lang gevormd. Zoon van God. Verzoener van onze zonden. Of inspirerend voorbeeld. Zegt u het maar.

Van Zacheüs wordt gezegd dat hij klein van stuk was. Het lukte hem niet om een vrij zicht op Jezus te krijgen. De menigte stond in de weg. En daarom klom hij in een vijgenboom. Zacheüs heeft in de kerk een zeker puppy gehalte. Niet dat we over het hoofd zien dat hij een mens met fouten is, maar we hebben het hart wel op de goede plek. Ach ja, die Zacheüs.. Maar misschien vertekent die houding ook wel ons beeld. Het is lastig om te erkennen dat we zelf die menigte zijn en dat we Zacheüs in de weg staan. Niet dat we nog zo veel voorstellen. Menigte is een groot woord voor wat hier bij elkaar is. En het wordt nog minder. Maar als het gaat over onze voorkennis over God en Jezus en waar het naar toe zou moeten, kunnen we ons nog behoorlijk breed maken. Massief genoeg om een nieuwsgierig mens af te schrikken. Of om zich net iets te welkom te voelen. Want dat kan ook. Afschrikken en dood knuffelen liggen heel dicht bij elkaar.

Zacheüs is geen puppy. Hoewel zijn naam – en dat is toch wel grappig – ‘rein’ betekent. Nou, als hij het is, ben ik het ook. Dat hij klein van stuk genoemd wordt, zegt iets over zijn hele wezen. Je kunt zeggen: Hij is een man van niks. Zijn rijkdom kan dat niet verhullen. En als hij in de vijgenboom klimt, zie je dan ook geen meelijwekkend mannetje onhandig omhoog gaan. Nee, hij kan wat ons betreft de boom in! Dat is wat de evangelist minstens ook wil zeggen. En dat heeft Zacheüs over zichzelf afgeroepen. Geen wonder dat hij niet dicht bij Jezus weet te komen. Vóór hem staan wij als zonnebloemen die zich keren naar het licht dat Christus voor ons is. ‘Ja, ik wil!’

Zacheüs is nieuwsgierig. ‘Hij wilde Jezus zien, om te weten te komen wat voor iemand het was..’ (vers 3) Dat is wel heel vaag. Het liefst vullen we het voor hem in vanuit onze voorkennis over God en Jezus en het hele evangelie. We zoeken met een lampje in de duistere uithoeken van zijn ziel om te kunnen zeggen: Dat is het! Daarom is hij nieuwsgierig! Dat schuldgevoel. En als hij dat zou kunnen beamen, dan mag hij bij ons komen staan. Alleen, zo zit het niet. ‘Hallo!,’ zegt Zacheüs, ‘ik ben gewoon nieuwsgierig. Mag dat misschien? Ja, ik wil Jezus zien. Maar daar heb ik jullie niet voor nodig. Al staan jullie mij wel heer erg in de weg.’

IV
‘Toen Jezus daar langskwam, keek hij naar boven en zei: ‘Zacheüs, kom vlug naar beneden, want vandaag moet ik in jouw huis verblijven.’ (vers 5) Wat een bevrijdende gedachte is dat toch! Dat Jezus de hele stad doortrekt. Dat hij niet zoals Jona in Nineve, nog vóór hij halverwege is, halt houdt en zijn oordeel over de stad uitroept. Dat hij niet met de rug naar de beschamende sores gaat staan, maar er helermaal doorheen wil trekken. Wat een bevrijdende gedachte is dat toch, dat als wij ons laatste godshuis in deze stad moeten sluiten omdat er niemand nog warm voor ons loopt, dat er dan altijd nog een huis te vinden is waar Jezus binnen komt. Zacheüs, ik moet in jouw huis verblijven! Dat is de drang van Gods nieuwe wereld die zich over de stad ontfermt. Ja, als er vandaag iemand is, die zegt: ‘Ja, ik wil!’, dan is het Jezus wel. En het hoeft niet eens uit zijn tenen te komen. Hij doet het niet met zijn laatste krachten. Gods nieuwe wereld drijft hem.

En daar staan wij dan langs de route. Teleurgesteld dat hij niet ons huis heeft uitgekozen. Terwijl wij wel wisten op wie we wachtten en heel ons hart riep ‘Ja, ik wil!’. Zo lang al spreken wij van hem en belijden wij hem als onze Heer. Terwijl Zacheüs niet verder kwam dan zijn nieuwsgierigheid. Maar nu we daar toch wat beteuterd staan op de eerste rij, is het misschien een idee om even om ons heen te kijken naar de stad waar Jezus helemaal doorheen trok. En dan die stad herkennen als onze eigen stad, die stad van God mag heten. Ook al komt er nooit meer iemand naar een kerk.

V
Wat zou het wat zijn als we als wijkgemeentes niet langer bezig zijn om onze huizen te stutten. Maar dat we het voortaan durven stellen met een mosterdzaadgeloof. Wie weet groeit er uit dat zaadje ergens in de stad een boom, waar mensen als Zacheüs in kunnen klimmen. Een plek waar hun nieuwsgierigheid niet om zeep geholpen wordt door onze grote antwoorden, onze rijke traditie en onze vastgeroeste gewoontes. Een boom waar je in kunt klimmen, als je je even wilt verschuilen. En dat dat dan gewoon mag. Dat jij niet direct gered moet worden door de goegemeente. Omdat we weten dat vroeg of laat Jezus zelf voorbij zal komen om jou te roepen. Een kerk die niet eindeloos probeert mensen binnen haar muren te krijgen, maar die vrolijk haar Zacheüssen uitzwaait als ze door Jezus uit de boom geroepen worden.

Tot jij die Zacheüs bent, die uit de mond van Jezus hoort: ‘Ik moet vandaag echt in jouw huis zijn!’ En jij zegt: ‘Let niet op de rommel.’

Amen

One thought to “Preek van de Week – Startzondag 16 september ’18”

  1. Ik lees momenteel een boek van Peter Rollins, waar ik aan moest denken bij deze preek, Verslaafd aan God. Samenvattend schrijft in hoofdstuk 9 het volgende:
    Er is echter een andere benadering, nl. die waarin we ons beneden de ander stellen. In die zin dat we andere visies toestaan de onze uit te dagen en aan het wankelen te brengen. Door letterlijk te luisteren, ipv te filteren door onze eigen ervaringen. We proberen te luisteren vanuit andermans standpunt. D.i. naar de ander luisteren niet vanuit kracht maar vanuit zwakte.
    Ipv de ander te zien als raar en vreemd, dienen we onszelf zo te zien. Hoe zie ik eruit in jouw ogen? Op welke bril van mij maakt die ander mij attent? Van welke bouwwerken dachten we dat ze eeuwigheidswaarde hadden, maar wordt dat door die ander toch wel twijfelachtig?
    De kerk daarentegen pretendeert vaak het ‘hele verhaal’ te weten. En pretendeert dat dit verhaal bij God wegkomt. Iets wat bedrijven en instellingen die ons iets willen aansmeren, niet zo gauw zullen zeggen.
    De vraag waarvoor we gesteld zijn is: hoe kan het christendom in zijn meest radicale en ontwrichtende vorm de kerk kritiseren en werkelijke vrijheid bieden?

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *