Preek van de Week (Pinksteren) – Zondag 4 juni ’17

Openbaring 22, 6 – 17
Handelingen 2, 1 – 11

I
Wij zijn binnen. Zij zijn buiten. Binnen is de kerk. Buiten is de wereld. Hier binnen verzamelen zich de mensen die Christus willen toebehoren. Daar buiten bewegen zich de mensen die de leugen koesteren en ernaar handelen. Zie het boek Openbaring. Zo lagen de verhoudingen toch zo’n beetje vanuit de kerk bezien? Was dat vroeger zo, zegt u? Maar hoe liggen de verhoudingen dan nu? Gaat het hier in de kerk nog ergens om? Hebben we nog iets te verliezen? In de beeldtaal van het boek Openbaring: de levensboom? Of de heilige stad? Wij zijn tegenwoordig van binnen en van buiten, zeggen we. De scheidslijnen liggen niet meer zo scherp. De soep wordt niet meer zo heet gegeten als ze in het boek Openbaring wordt opgediend. Wie gelooft nog dat Christus spoedig komt en het loon bij zich heeft om iedereen te belonen naar zijn daden? Maar als we dat niet langer geloven,  waar gaat het hier dan nog over? Zijn we hier om over de bol geaaid te worden als de donkere kanten van ons bestaan ons te dicht op de huid komen? Willen we hier de vluchtroute open houden naar een hemel, waar alle tranen worden afgewist?

II
De Noord-Ierse theoloog Peter Rollins vertelt bij deze vragen het volgende verhaal. Het is een verhaal in de geest van Openbaring: ‘De aarde zucht onder oorlogen en rampen. God zag het vanuit de hemel. De engelen zongen niet meer. Wanhoop overal. Dit kon toch niet altijd zo doorgaan. Toen de tijd rijp was, stond God op. Hij haalde diep adem. Met een stem als een bazuin sprak hij tot de engelen: “De tijd is gekomen dat ik de schapen van de bokken zal scheiden.” Na deze woorden keek God naar de wereld en sprak hij tot de kerk: “Sta op en stijg op naar de hemel, allen die de verschrikkingen van de wereld wilden vermijden door onder mijn vleugels te schuilen. Kom tot mij, allen die zich hebben afgekeerd van deze lijdende wereld door te roepen: Heer! Heer!” In een oogwenk werden miljoenen opgenomen in de wolken. En ze stegen op naar de hemel, de lijdende wereld achter zich latend. Na dit grote gebeuren hield God even de adem in. Toen richtte hij zich tot de engelen en zuchtte: “Het is volbracht! Ik heb de mensen die uit mijn Geest geboren zijn gescheiden van hen die zich van mij afgekeerd hebben. Het is tijd dat wij deze plek achter ons laten en ons vestigen op de aarde. Want daar is het waar wij onze mensen zullen vinden: zij die de hemel opgeven om de aarde te omhelzen, de enkelen die de eeuwigheid de rug toekeerden om trouw te zijn aan het breekbaar leven dat vergaat.” En zo gebeurde het dat God en zijn hemelse schare die plaats  verlieten om te verkeren tussen hen die zich op de aarde geworteld hadden. Om hen daar in stilte te ondersteunen. Zij, die God hadden opgegeven omwille van de wereld. En die juist daarom het merkteken van God droegen. De enkelen die de hemel ontdekten in het opgeven ervan.’

III
Eigenlijk zouden we onszelf de tijd moeten gunnen om te voelen wat dit verhaal met ons doet. Misschien word je er boos van. Of voel je verdriet. Omdat het verhaal iets van je afpakt wat jou heilig is. Misschien is het alsof er iets onder je voeten wordt weg getrokken. Maar het kan ook zijn dat je eindelijk grond voelt; dat het je voor het eerst sinds tijden weer lukt om God te beamen. Wat een opluchting! Maar wat het ook is, het mag er zijn. Je hoeft het gevoel dat dit verhaal bij je oproept niet te verdedigen. Niet tegenover God. En niet tegenover de mensen om je heen. Ja, we zouden onszelf de tijd moeten gunnen om te voelen wat dit verhaal met ons doet. Maar weet u wat? U krijgt die tijd. Zelfs als u die tijd uzelf nu niet gunt. Omdat het toch al een lange dienst wordt en omdat er nog meer in uw agenda staat voor vandaag. U krijgt die tijd van de Geest.

Want Pinksteren is niet het feest van bevlogen mensen. Pinksteren is niet voor mensen die de hele wereld aan kunnen, hoe donker ook. Pinksteren is niet voor hen, die nooit eens de ontsnappingsroute naar een hemel nodig hebben, om niet gek te worden van het leed op deze aarde. Pinksteren begint bij een groepje mensen dat bij elkaar kruipt in een bovenwoning in een stad en die de deur achter zich dicht trekken. Even niet die stad, die je onder de huid kan kruipen. Even niet het lawaai van al die tegenstrijdige opinies, die van jou eisen dat je positie inneemt voor dit of tegen dat. Even niet open doen voor degene die voor de deur staat en op jou in wil praten om steun te verwerven voor het zoveelste goede doel.

Het enige vuur dat deze mensen in zich dragen is hun gebed. ‘Vurig een eensgezind wijdden ze zich aan het gebed,’ (Hand. 1, 14) schrijft Lucas in Handelingen. Om zo te kunnen bidden hoeft een mens niet bevlogen of geestdriftig te zijn. Ze waren eerder schuw. Op het angstige af. Schuilend bij elkaar. Waar komt dat vurige dan vandaan in hun bidden? Het komt bij God vandaan, nog voor het Pinksteren wordt.

Het gebed is een gave. En dan bedoel ik niet: het vinden van de juiste woorden en het timen van de stiltes tussen de woorden, zodat het gebed rust brengt in de harten. Zoiets kun je oefenen. Maar de gave van het gebed is dat het überhaupt kan, dat het gebed een ruimte is waarin God en mens elkaar kunnen ontmoeten. Aangereikt van boven. Gebed is geen kunstje. Gebed is een gave. De vurigheid in het bidden ontstaat als er een oor is dat hoort wat jou benauwt, de schunnigheid van wat mensen wordt aangedaan terwijl jij niet weet hoe jij het zou kunnen keren. De vurigheid in het bidden heeft alles te maken met de brandwonden die jij oploopt aan het leven. Maar het wordt tot vurigheid omdat het is gezien, omdat het wordt gehoord.

Er bestaat ook gekunstelde vurigheid. Elkaar opdraaien en de kop gek maken. Lekker religieus doen om de pijn van het leven niet te hoeven voelen. Bidden voor de wereld om er zelf van af te zijn. Het bij God over de schutting gooien. Ik denk dat Peter Rollins daar op doelt als God in het verhaal tegen de kerk zegt: ‘Kom tot mij, allen die zich hebben afgekeerd van deze lijdende wereld door te roepen: Heer! Heer!’ Vurig bidden in bijbelse zin is een vorm van opgetild worden boven je angsten en je wanhoop uit. Vurig bidden tilt je niet op naar de hemel, maar het zet jou terug op aarde, tussen de mensen die net als jij brandwonden hebben opgelopen aan het leven. Alleen de angst en de wanhoop zijn weg. Want er is er een die hoort en ziet.

IV
De hartstocht van die ene is zo sterk dat ze kan uitslaan als een brand. Of als een stormwind die plotseling opsteekt. En dan is er geen houden aan. Dan slaan alle luiken naar de wereld open. Dan weet de kerk waar ze moet zijn. Niet binnen maar buiten. Dan weet ze dat ze niet de voorhof van de hemel is. Eerder uitvalsbasis naar de aarde. Waar het nog steeds ten hemel schreit. En het leven mensen nog altijd verwondt. Maar het wordt gezien. Het wordt gehoord. Mensen weten zich begrepen. Omdat de kerk eindelijk thuis geeft. Laat deze plek een huis van gebed zijn. Maar laat deze gemeenschap haar bestemming vinden in deze stad. Waar God ons al lang is voorgegaan en vurig op ons wacht.

In de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest.
Amen

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.