Preek van de Week – Pinksteren 2019

Handelingen 2, 1 – 11
Johannes 20, 19 – 23

I
Pinksteren blijft lastig. Alsof je aan de rand van de dansvloer staat. Je lichaam wil wel meedoen. Maar je kunt er gewoon geen hout van. Nooit les gehad. Want het was aan jou niet besteed. Als je beweegt, ziet het er gewoon niet uit. Om dat in te zien is het niet eens nodig om in de spiegel te kijken. Je weet het gewoon.

Pinksteren is voor anderen. Voor gelovigen die zonder gêne uit hun dak kunnen gaan. Een zaal vol mensen beweegt met de handen omhoog naar de hemel. Het zindert. Zoals het hier alleen doet tijdens de Kinderkerstnacht als de kerk tjokvol zit met kinderen en de energie die dat geeft je bijna wegblaast. Ja, geef mij maar Kerst. Kindje wiegen kunnen we allemaal.

Maar Pinksteren? Het probleem is tweeledig. We gunnen het de Stadskerk dat het daar ook vandaag weer afgeladen vol zit. Nou ja, zit? Het beweegt. Het danst. Pinksteren is er voorstelbaar. Hier niet. Wij staan wat onhandig aan de rand van de dansvloer. Zij erop. Wij ernaast. Gelukkig zijn we hier opgehouden om tegen elkaar te zeggen: ‘Het zit ‘m niet in de kwantiteit, maar in de kwaliteit.’ We durven dan misschien niet zo goed te dansen. We zijn wel beter geworden in het erkennen daarvan. Alleen went het nooit om daar onthand te staan. Buitenspel.

Er zit ook nog een persoonlijke kant aan dit verhaal. Want je snapt niet waar ze het vandaan halen; waar de kracht vandaan komt. Die vlammen uit het Pinksterverhaal, ‘die zich als vuurtongen verspreidden en zich op ieder van hen neerzetten’ (vers 3), wat zijn dat voor vlammen? En dat geluid uit de hemel ‘als van een hevige windvlaag’ (vers 2) dat het huis vulde, waardoor wordt het veroorzaakt? Je krijgt er je vingers niet achter. Elk jaar weer probeer je het te snappen, maar tot nu toe is het niet erg gelukt. En trouwens, als het je wel lukt om het vuur en de wind in Bijbelse verbanden te kunnen plaatsen, ga je daar dan beter van dansen? Het is alsof je niet alleen collectief, maar ook individueel in je hemd staat. Ik snap wel waarom mensen de camping met Pinksteren verkiezen boven de kerkdienst.

II
Maar voor de thuisblijvers, zoals de meesten van u: In beide lezingen is er sprake van een huis. Mijn broer houdt niet van kamperen. ‘Daar is het leven te kort voor,’ vindt hij. Zeker in de evangelielezing zit iets van het bewustzijn, dat het leven lang niet altijd leuk is en zo maar voorbij kan zijn. De wereld is vol gevaar. En dat gevaar is in dit geval heel concreet. De arrestatie en executie van Jezus hebben de leerlingen geschokt. Dan is een huis waarin je je kunt verbergen wel zo fijn. Ze hebben de deuren gesloten uit vrees voor de leiders in Jeruzalem, vertelt het verhaal.

Ook in de lezing uit Handelingen, hebben de leerlingen van Jezus zich verzameld in een huis. De sfeer is hier net iets minder dreigend. Maar dat je nu kunt zeggen dat er gedanst wordt? Er wordt vooral gebeden en gewacht. Was het voorheen zo dat Jezus de boel bij elkaar hield, nu is dat het gebed: ‘Eensgezind en met volharding wijdden ze zich aan het gebed, samen met de vrouwen en met Maria, de moeder van Jezus, en met zijn broers,’ (Hand. 1, 14) vertelt ons het verhaal. Zonder gebed valt de boel zo maar uit elkaar.

In het eerste hoofdstuk van Handelingen wordt ons ook verteld hoe de vacature van Judas Iskariot in de kring van de twaalf wordt opgevuld. Kent u hem nog? De leerling, die zich verhangen heeft, omdat hij niet meer in het reine kon komen met zijn actieve rol bij de arrestatie van Jezus. Hij zag het niet meer met Jezus zitten. Zwaar teleurgesteld in de kansen die er lagen en die Jezus niet had willen pakken. Maar zonder hem, bleek het leven alle glans te hebben verloren. Judas kon niet verder. Zo triest. En dat trieste zet zich door in de manier waarop zijn vacature wordt vervuld. Geen stem uit de hemel die zegt: ‘Mattias moet het worden!’. Geen Jezus, die zelf zijn leerlingen riep. Ze gaan er om loten. Je moet toch wat.

Dat speelt zich allemaal af in dat huis waarin ze op de Pinksterdag bijeen zijn. En ineens bedenk ik me: wat lijken we toch op die fragiele gemeenschap, die in dat huis bijeen is. Open gevallen plekken kennen we al zo lang: Mooie mensen, die het bij ons toch niet meer konden vinden. Te weinig uitstraling. Te weinig duidelijkheid. Te veel tinten grijs. Met een beetje geluk vonden ze een nieuw kerkelijk thuis. Maar velen haakten ook gewoon af. En dan hebben wij nog de mazzel een binnenstadskerk te zijn, waar nieuwsgierigen net iets gemakkelijker binnen wippen om hun plekje in te nemen en om te zien of hier iets te vinden is op hun reis door het leven.

Hoe mooi is dat! Dat we lijken op dat huis met zijn dichte deuren. Dat herkennen we toch, dat het soms alle hens aan dek is om de boel bij elkaar te houden? Met al die verschillende voorkeuren, eigengereide gedachtes, hoogst persoonlijke heilige huisjes en ieders individueel belang? In een weemoedige bui zou je zomaar terug kunnen verlangen naar een tijd waarin de kerkenraad nog op de winkel kon passen en iedereen voor elkaar verstaanbare geloofstaal sprak. Nu bidden we samen hardop of in stilte: ‘God, laat ons niet in de steek.’ Want het kan allemaal zo maar uiteen vallen.

Hoe mooi is dat! Dit gelovig leven op de valreep. Is dat bravoure? Nee, het is de heilzame ontdekking dat het dit huis is dat op de Pinksterdag gevuld wordt met het ruisen vanuit de hemel, als van een geweldig gedreven ademen. Dit huis, waarin zich tongen als van vuur verspreiden, die zich op iedereen neer zetten. Om Pinksteren te kunnen vieren, hoef je niet een uitbundig gelovig mens te zijn. En wie denkt: ‘Ik wil wel dansen, maar ik kan het niet’, des te beter. Want de Geest begint bij nul. Wie denkt: ‘Ik kan wel dit of ik kan wel dat. En ik wil wel zus en doe wel even zo!’, prachtig!, welkom! Maar daarmee gaan we de kerk niet redden. Wel met het verbijsterende nieuws, dat de Geest dit huis heeft uitverkoren. En dat ze niet vies is van onze vertwijfeling en van onze neiging alle kanten op te geloven om er van te redden wat er te redden valt.

Nou, vergeet het maar! Dat red je niet. Het is de Geest die ons te hulp komt. En ze begint niet bij wat er nog van ieders geloof over is. Ze begint bij God en wat er uit zijn hart tevoorschijn komt aan liefde voor wie het niet meer weten. Zo worden wij ten dans gevraagd. En dan vooral niet zeggen dat je het niet kunt, want dan is de Geest als eerste bij jou. Zulke dansers zoekt ze juist. Niet die al weten hoe je uit je dak moet gaan op een plek en een uur, die je daarvoor zelf hebt uitgekozen – en met zo veel mogelijk tegelijk.

De beste voorbereiding op Pinksteren is wachten. Niet in de doe-modus schieten. Of het zou om het gebed moeten gaan. Het gebed waarin je aangemoedigd wordt om te wachten; om niet weg te lopen voor wat er aan rommel en leegte in je persoonlijke rugzak zit; om niet te snel je antwoord klaar te hebben op de vraag hoe het verder moet met deze wereld, alsof jij er niet tot over je oren in zit en er niet mede debet aan bent dat we op een dieptepunt zijn aanbeland. Wachten is de kunst. Wachten op wat God heeft beloofd, dat je zult worden gedoopt met heilige geestesadem. Met passiviteit heeft dat wachten niets te maken. Wachten vraagt om de durf alles onder ogen te zien: het eigen tekort, het elkaar opjagen, het grote vergeten wat de liefde vermag. Daarom gaan wachten en bidden hand in hand. Bidden om de Geest. Bidden om Gods dag. Spreken van Gods grote daden begint bij het bidden. In het Grieks klinkt het als ons woord lallen. Ik hoor de grootspraak die vol is van zichzelf en de vloer aanveegt met wie zich niet kunnen verdedigen – het gelal van de wereld. Spreken van Gods grote daden staat daar haaks op. Pinkstergelal is niet vol van zichzelf. Het is de liefde, die rechtstreeks uit Gods hart komt, aangeboord door de Geest, die het spreken richting geeft en die mensen aan elkaar verbindt.

III
Niet moedeloos worden als u ook vandaag weer denkt: ‘We hebben het gewoon niet.’ We zijn zielloos, saai en niet aansprekend. Het lijkt niet op wat er toen en daar gebeurde in Jeruzalem. Nee, we hebben het niet. Nog eens weer: des te beter. Laat u niet te snel verleiden door begeesterde mensen die zeggen dat de kerk missionair moet zijn en meer aan de weg moet timmeren. Het kan grenzen aan paniekvoetbal. De Geest heeft uw enthousiasme niet nodig. Ze gaat haar eigen gang. Als ze toen en daar dat in zichzelf gesloten huis open wist te waaien, en de straat en de stad tot een nieuw thuis maakte voor dat groepje bange mensen, dan zal het Haar met dit huis hier ook wel lukken. Als de Geest het nodig heeft.

Blijf er om bidden. Blijf er op wachten. Maar doe een ding niet: maak van uw kerk geen heilig huisje. Dat open gaan van Gods hart naar de straat en naar de stad is al lang op gang gekomen. Er is Geestesadem uitgestrooid en niet zo zuinig ook. Dat vieren we vandaag. En het kan best zijn dat uw bidden en uw wachten u doet ontdekken dat het is verhoord en dat er nieuwe vormen van gemeenschap oppoppen in de stad, zonder in de verste verten te lijken op vormen van kerkzijn die u bekend voorkomen. Heilzame gemeenschappen, speels en kwetsbaar en alom aanwezig. Ik denk aan de hiphop danser Mohamed Yusuf Boss, die al dansend mensen aan elkaar verbindt. Ik denk aan Sietze den Iseger met zijn Hulpexpress, die wonderen verricht en kracht haalt uit de kwetsbaarheid van mensen. Zie het en weet u dicht bij het vuur.

En maak u alstublieft geen zorgen. De Geest vindt haar weg wel. Pinkster ze!

In de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest. Amen

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.