Preek van de Week – Palmzondag 9 april ’17

Exodus 15, 27 – 16, 7
Johannes 12, 12 – 24

I
Politiek straattheater is het: een mensenmenigte scheurt palmtakken af en zwaait Jezus tegemoet. ‘Hosanna! Gezegend hij die komt in de naam van de Heer, de koning van Israël.’ Tweehonderd jaar eerder hadden ze het ook zo gedaan. Toen Judas Maccabeüs Jeruzalem had bevrijd van de heidense bezetter en hij de tempel in ere had hersteld. Jezus ziet het gebeuren. Zijn oog valt op een ezel langs de kant van de weg. Hij gaat er op zitten. Zo geeft hij zijn eigen draai aan het theater. Koning? Oké, maar dan anders. ‘Vrees niet, Sion, je koning is in aantocht, en hij zit op een ezelsveulen.’

Om dat ‘anders’ gaat het vandaag. Hoe zit het precies met Jezus en God en zijn heerschappij? Anders! Daar moet elk antwoord mee beginnen. Het is anders. Altijd weer anders dan wij denken. Je zou kunnen denken: Nou weten we het wel een keer. Elk jaar opnieuw wordt het Palmpasen en komt dit verhaal voorbij. De nederige koning en zo. Goed voorbeeld dat goed volgen doet. Niets nieuws. Alleen de optocht van de kinderen met hun Palmpasenstokken weet ons nog te raken. Zo lief. Zo vertederend. Maar je vergist je. Het is anders.

II
Het verhaal, zoals Johannes het vertelt, is ook anders dan dat van de andere evangelisten. In hun versie heeft Jezus van a tot z de regie over het theater. Bij Johannes niet. Daar komen de mensen hem uit Jeruzalem tegemoet met hun palmtakken en hun leuzen. Het spel is al op de wagen, vóór Jezus op het ezeltje klimt.

Waar komen ze ineens vandaan? Ja, uit Jeruzalem, dat in de dagen vóór het grote feest van Pesach vol pelgrims zit. Maar wat heeft hen in beweging gezet? Vanwaar dit te vroeg aangestoken vuurwerk? Het heeft te maken met het verhaal dat hier aan vooraf gaat. Het is een verhaal waarmee we slecht raad weten. Het is het verhaal van de opwekking van Lazarus uit zijn graf. We kunnen blijkbaar niet anders dan er op afgaan met stethoscoop en meetapparatuur. De een roept: ‘Vóórmoderne onzin!’ De ander: ‘Het is bij wijze van spreken!’ En een derde werpt een dam op tegen alles wat hij lang en breed weet en roept: ‘Voor God is niets onmogelijk!’ Maar bij alle drie gaat het slechts om de vraag: Kan het wel of kan het niet? De wereld draait er gewoon om door. Er worden kinderen geboren en er gaan mensen dood. Stel dat het echt gebeurd is, wie kijkt er dan morgen nog van op? Er gebeuren wel meer gekke dingen in de wereld, zie ik dagelijks op mijn smartphone. ‘Moet je dit nou zien! Spectaculair!’ We leven van incident naar incident. En morgen is dat van vandaag al bijna weer vergeten. Lazarus, wat was daar ook al weer mee?

Zo is het niet gegaan in dit verhaal. Zij, die er bij geweest zijn toen hij uit het graf geroepen werd, getuigen ervan in Jeruzalem. Getuigen is iets anders dan roeptoeteren dat het waar gebeurd is. Getuigen is ook iets anders dan zeggen dat je het gebeuren niet letterlijk moet nemen. Getuigen doe je van een waarheid die jij niet hebt, maar die jou gepakt heeft. Een waarheid, die niet buitensluit maar insluit. Een getuigenis dient niet om iets aan de man of de vrouw te brengen. Het is het doorgeven van een nieuw licht dat op onze werkelijkheid valt. Dat licht omvat de ander. En die ander mag het weten. De spectaculaire gebeurtenis van vandaag is morgen weer vergeten. Maar jij niet! Er valt een licht op jou dat niet meer dooft.

Zo moeten de getuigen de opwekking van Lazarus uit het graf hebben ervaren. Niet als toeschouwer. Maar als deelnemer. Alsof de steen bij hen werd weggenomen, toen die voor het graf van Lazarus werd weg gehaald. Toen de kelder open ging met al zijn angsten en met stemmen die zeggen: ‘Wie ben jij nou helemaal?’; die kelder met alles dat dood slaat. En dan die stem horen, die jou bij name roept: ‘Kom eruit!’ En waarachtig, je komt en je wikkelt je los uit alles wat jou aan banden legde. En je weet dat je leeft!

III
Zoals Lazarus uit het graf naar buiten komt, op die stem af die hem roept – nooit geweten dat het kon!, zo komen de mensen uit Jeruzalem naar buiten om Jezus tegemoet te gaan. Een stad als een graf. Waar de angst regeert. En waar elke droom wordt gekraakt. Een stad die het tegendeel is van haar roeping om Mokum te zijn. Die plaats waar ieder mens onthaald wordt. De mensen zwaaien met palmtakken. Ze schreeuwen: ‘Hosanna!’ Dat is: ‘Red ons toch!’ Doe het! Jij kunt het. We geloven in jou.

Het persoonlijk gegrepen zijn en de opwinding over de politieke verandering die in de lucht hangt, zijn hier niet meer uit elkaar te houden. Het koningschap van Christus omvat het publieke domein en het meest private. ‘Er zijn geen grenzen aan Jezus macht,’ zingt een oud opwekkingslied. En weet u, het is nog waar ook. ‘Kijk maar, de hele wereld loopt achter hem aan,’ zeggen de Farizeeën. Zelfs Grieken zoeken hem, zo lezen we. Ja, hem komt alle macht toe in hemel en op aarde.  Alleen niet zonder de kanttekening die Jezus zelf plaatst door op het ezeltje te gaan zitten. Zo rijdt hij Jeruzalem tegemoet. Hij bekijkt de stad en de mensen niet vanuit de hoogte, maar van onderop. Hij ziet wat er schuil gaat achter al die opwinding. De pijn waar ze overheen stappen. Alles wat hun zelfbeeld heeft gekraakt. Het zwarte gat, dat rustig wacht tot dit feestje over is, en alles in zich laat verdwijnen. De eigen schuld, dikke bult, die nu even ergens anders neer wordt gelegd – bij de elite, het pluche, maar die straks als een boemerang terugkeert bij ieder persoonlijk. Daar wil hij heen, die koning op een ezel.

IV
En daar aangekomen, zal hij tot majesteit verheven worden. Dat is typisch taalgebruik van de evangelist Johannes. Het is bijna op het cynische af. Want Johannes heeft het dan over het kruis. Het kruis als de plek waar Jezus tot majesteit verheven wordt. Hij torent er boven de mensen uit. Niets blijft daar voor hem verborgen. Alles waar de wereld geen raad mee weet, ligt open voor hem. Omdat hij open ligt voor de wereld – bijna letterlijk. Al die individuele verhalen, die doodgelopen levens, trekt hij naar zich toe. Dat ezeltje was nog maar het begin. Nog dieper daalt hij af. Tot op het kruis waar hij tot majesteit verheven wordt, zegt Johannes. Hoogte en diepte gaan hand in hand. Wat Johannes betreft, krijgt iedereen gelijk. Het volk dat ‘Hosanna’ roept en hem tot koning uitroept. De Farizeeën die verzuchten: ‘Heel de wereld trekt op hem aan.’ En de Grieken die hem willen zien. Maar voor allen zo anders dan ze hadden gedacht. In het midden staat het kruis met daaraan een gefolterde koning.

We zijn er aan gewend geraakt. We hebben woorden gevonden voor iets waar geen woorden voor zijn. Het kruis is gaan behoren tot de inboedel van de kerkelijke traditie. Wie stoort zich er nog aan? Wie voelt het nog schuren als Johannes spreekt over het kruis als de plek waar Jezus tot majesteit verheven wordt? De wereld aan mensen loopt rond met een kruisje als hangertje rond de hals. Gewoon mooi. De meesten hebben geen benul van wat ze dragen. Misschien schudt u het wijze hoofd. Maar weet u ook hoe het zo is gekomen? Heeft de kerk zelf nog een flauw benul van de dwaasheid en de ergernis van het kruis? Ja, even tijdens de dienst op Goede Vrijdag wanneer wij stilletjes denken: ‘Wat een barbaren waren dat toen.’ Of tijdens het bijwonen van de Matteüs- of de Johannespassion van Bach. Maar het kruis als centrum van de wereld en als plaats van majesteit?

Naast een wreed executie instrument was het kruis nog iets. Of liever gezegd: niets. Het kruis droeg de boodschap in zich dat de aarde en de mensen niets meer met je te maken wilden hebben. En dat ook de hemel en de goden je niet moesten. Je hing daar tussen hemel en aarde om tot voer te worden voor de gieren. Is het een macabere grap om van Jezus, die zo aan zijn einde kwam, te zeggen dat hij daar tot majesteit verheven werd?

V
Een ding is zeker. Wie in de gekruisigde Jezus de verhoogde majesteit ziet, kan nooit meer probleemloos spreken over de almacht van God. Die God, die je wel dromen kunt. En over wiens grootheid je het wel eens kunt worden met alle mensen van goede wil, die ook in God willen blijven geloven. Omdat deze God de uitvergroting is van al het mooie en het goede en het meest heilige wat een mens zich denken kan. Zo’n goddelijke majesteit kan geen kant op met deze gekruisigde. Hij is een smet op zijn blazoen. Hij past niet in het format van een God. Hij is het eind van alle diepzinnigheid.

En ook de mens die wij het liefst zouden willen zijn, moet niets van deze gekruisigde hebben. Het goede voorbeeld dat we willen zijn voor onze kinderen, maar zo vaak niet zijn en dat niet kunnen erkennen. De vredelievende mens die alles zo veel mogelijk met de mantel der liefde bedekt, maar die het liefst de andere kant opkijkt als het conflict te groot is om toe te kunnen dekken. De onafhankelijke burger die niemand tot last wil zijn en die daarom zijn kwetsbaarheid verbergt. Dat zijn wij toch samen? Niks mis mee, zal de wereld zeggen. Met die daar aan het kruis is iets mis. Die tragische figuur moet je niet willen. Hooguit als object van medelijden.

En toch. Laat al die pogingen om jezelf te redden maar varen. Wij hebben een andere majesteit. Een die we niet zelf hoog hoeven te houden. Een die we zelf niet hoeven te denken. Een die we niet hoeven te verdedigen tegen andersgelovigen. We hoeven hem ook niet te zoeken, omdat hij ons heeft opgezocht. Op het ezeltje ging hij recht op zijn doel af. Tot hij was waar hij wilde zijn. Bij al onze waaroms. Bij de gaten die in ons leven geslagen werden of die we lieten vallen in de levens van anderen. Bij de dood van heel de wereld. Daarop troont hij. Dit is zijn majesteit. Hij is onze God.

In de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest.
Amen

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.