Preek van de Week (Heilige Drie-Eenheid) – 11 juni ’17

Genesis 2, 4b – 7
Romeinen 11, 33 – 36
Johannes 3, 1 – 15

I
Er zijn gedachten waarin je gemakkelijk vastdraait. Dat wij de ene God noemen mogen: Vader, Zoon en heilige Geest, dat is er zo een. In die naam worden we gedoopt. Met die naam worden we gezegend. Hij is ons vertrouwd als wij hier liturgie vieren; als het hier heen en weer beweegt tussen Vader, Zoon en heilige Geest en wij daarin het ene geheim ervaren dat zij belichamen. Zonder er overigens iets van te begrijpen. Maar o wee als wij op ons fluitje blazen, het spel stil leggen en aan het denken slaan. Als wij ons afvragen: ‘Hoe zit het nou precies met die heilige Drie-eenheid?’ Dan wordt het een hersenkraker.

Er zijn grotere vragen dan deze. Wie ’s nachts wakker ligt vanwege de Drie-eenheid heeft óf te lang vakantie gehad, óf zit als student theologie vlak voor het tentamen dogmatiek. Een mens ligt wakker van haar liefsten. Een mens ligt wakker van de wereld en hoe het verder moet. Een mens ligt wakker van zichzelf; van iets waar hij geen raad mee weet. ‘God, hoe moet het nou?’ ‘God, waar ben je?’ ‘God, help haar toch!’ Dat zijn de vragen toch? Deze drieslag. In alle varianten die we uit eigen ervaring wel kennen. Je hoeft er geen dogmatiek voor gestudeerd te hebben om je deze vragen te stellen.

II
Nikodemus kan de slaap niet vatten. Jezus houdt hem bezig. Wat die doet en wat hij zegt. Nikodemus is niet zo maar iemand. Hij is een man met grote verantwoordelijkheden. En iemand met gezag. Niet alleen omdat hij deel uitmaakt van het Sanhedrin, de Hoge Raad van Jeruzalem. En ook niet alleen omdat hij rijk is. Macht en gezag vallen niet altijd samen. De naam Nikodemus betekent ‘overwinnaar van het volk’. Dat kun je zijn met harde hand. Maar dat kun je ook worden door de harten van de mensen te winnen. Omdat je luistert. Omdat je de wet van Mozes niet oplegt, maar eruit leeft. Zo een is Nikodemus. Iemand die het laatste woord gegund wordt.

Nikodemus kan de slaap niet vatten. Wat Jezus doet en zegt maakt hem onrustig. God is met hem. Maar op een of andere manier gaat het de wet van Mozes te buiten. Dat hele bouwwerk van de wet, dat Nicodemus zo veel rust en vreugde geeft en oriëntatie, het is net alsof het niet meer genoeg heeft aan zichzelf als Jezus voorbij komt. Niet dat Jezus het bouwwerk van de wet van Mozes ondergraaft. Dat is het niet. Maar hij laat het dansen. Ik weet niet hoe ik het anders zeggen moet. Niets is meer het zelfde als Jezus voorbij gekomen is. Nicodemus moet er wat mee. Al weet hij nog niet wat.

Ik ook niet. Daarom een gedicht. Het is van Rutger Kopland:

 

Er is iets in de zang van een merel
het is voorjaar, je wordt wakker
je ligt te denken in de nacht
het raam staat open- er is iets
waarvan die vogel zingt
en je denkt aan wat je moet opgeven
er is iets in je dat leeg is en het stroomt vol
met het zingen van die merel.

Wat Jezus doet en zegt is voor Nicodemus als het zingen van die merel. Het hele bouwwerk van de wet van Mozes dat Nicodemus kent ‘by heart’ en dat hier (hand op het hart leggen) zit – Misschien ook wel hier (naar het hoofd wijzen), maar dat is dan een afgeleide – , het wordt losgezongen door die merel.

en je denkt aan wat je moet opgeven
er is iets in je dat leeg is en het stroomt vol
met het zingen van die merel.

III
Nicodemus houdt het niet meer. Hij gaat naar Jezus toe, in de nacht. De nacht, dat is de tijd waarin de essentie van het leven voor jou op losse schroeven komt te staan. Iets wezenlijks is bezig om voorbuj te gaan. Je denkt: ‘Het zal toch niet..’ En ergens weet je al: ‘Ja, het zal..’ Maar wat er komen zal, God mag het weten. Nicodemus herpakt zich als hij bij Jezus komt. Hij grijpt terug op wat tot dan toe zeker was: ‘Rabbi, we weten dat u als leermeester van God gekomen bent.’ Wij, hoeders van de wet van Mozes, die leven uit de wet, wij weten het.

Jezus zei: ‘Waarachtig, ik verzeker u: alleen wie opnieuw wordt geboren, kan het koninkrijk van God zien.’ Op het eerste gehoor heeft dit weinig meer van het zingen van een merel. Het lijkt de opmaat van een onnavolgbaar strijdgesprek, van mannen die elkaars slimheid testen. En toch is het dat niet. Jezus peilt Nicodemus. Hij weet dat er iets bij hem losgezongen is. En dat hij probeert nieuwe grond onder de voeten te vinden. Maar de vastigheid die Nicodemus vond in het bouwwerk van de wet van Mozes kan Jezus hem niet terug geven. Het zal een andere zekerheid worden dan die Nicodemus kende. ‘Ik verzeker je,’ zegt Jezus. Hij zelf zal Nicodemus’ zekerheid zijn. Hij zal Nicodemus niet alleen laten in deze nacht, waarin hij de grip op het oude moet los laten zonder dat er zich iets aandient waaraan hij zich kan vastklampen. Deze nacht is als een geboortekanaal voor Nicodemus. Zo een waar Jakob zich doorheen worstelde, vóór het licht van een nieuwe dag over hem opging. ‘Alleen wie opnieuw wordt geboren, kan het koninkrijk van God zien.’ 

‘Hoe doe je dat dan?,’ vraagt Nicodemus. Als hij het allemaal nog eens over zou mogen doen, dan zou hij het nog beter willen doen. Nog scherper zien wat het koningschap van God behelst. Dan hoefde hij niet opnieuw de missers te maken, die keren dat hij het verkeerd had gezien en de wet van Mozes van zijn glans beroofde; toen hij met zijn beslissingen verkeerd had gezeten en mensen niet gegeven had waar ze recht op hadden; toen hij God zelf had teleurgesteld. Met de kennis van nu.. Maar ja, je kunt de tijd toch niet terug draaien?

IV
‘Niemand kan het koninkrijk van God binnengaan, tenzij hij geboren wordt uit water en geest,’ zegt Jezus. En dan: ‘Wat geboren is uit een mens is menselijk, en wat geboren is uit de Geest is geestelijk.’ Toen ik dacht aan het verhaal van de schepping van de mens uit Genesis 2, vielen de woorden op hun plek. Water, aarde, stof. Alleen maar dat. Er is niets voorhanden om je op te leuken. Niets is er dat afleidt van die Ene die zich bukt en uit het stof van de aarde de mens vormt. Zo’n vormsel van stof ben jij ook, Nicodemus. Met alles wat je weet. Met alles wat je hebt bereikt. Jouw verantwoordelijkheidsgevoel. Jouw serieuze overgave aan wat goed is. Het is allemaal stof. Je kunt er niet op bouwen.

Maar de vreugde die je soms zo maar overvalt in het leven uit de wet van Mozes. En dat het hele bouwwerk uit het lood getrokken wordt, als ik voorbij kom. En dat je het ziet dansen. Dat is andere koek. Dat is Geest. Dat is adem van God. Zie je het voor je, Nicodemus? Hoe God jou de adem in de neus blaast en jij tot een levend wezen wordt? Zie je dat het niets te maken heeft met de grote meneer die je bent geworden? Zie je dat het louter liefde is en niet de beloning van jouw gelovige overgave? Stof ben je. Durf dat ook te zijn. Breekbaar en gemankeerd. Als je dan je ogen open doet, zie je God van aangezicht tot aangezicht. Niet aan het eind van al jouw kunnen en presteren, maar aan het begin ervan. Vóór je op eigen benen kon staan en gaan. En jij maar denken dat geestelijk te maken heeft met de hogere dingen, met het betere weten en met het volmaakte doen. Maar dat is menselijk. Geestelijk is steeds opnieuw je ogen opslaan vanuit het stof. Omdat je adem voelt in jouw breekbaar leven en jouw gemankeerd bestaan. Nabijheid van God, die je niet hoeft te verdienen.

V
Jouw vragen in de nacht –  ‘God, hoe moet het nou?’ ‘God, waar ben je?’ ‘God, help haar toch!’ – komen dichter in de buurt bij wie God is dan diepgravende gedachten over de Drie-eenheid. Op een dag kwam de kerkvader Augustinus langs het strand en zag daar een kind water uit de zee in een kuiltje scheppen. Het riep: ik ga de zee leegscheppen. Augustinus was op dat moment diep in gedachten verzonken over de vraag hoe dat nu kon: de ene God in drie personen. En ineens dacht hij: ik wil ook de zee in een kuiltje scheppen. Dat is dwaas. Geef het op. Laat het los. Hoe diep je gedachten ook zijn, ze zijn uit stof gemaakt zoals jij. Ze brengen je niet dichter bij God.

Houd ze niet vast. Laat ze maar waaien. Durf de leegte aan. Wacht tot het vol stroomt met het zingen van de merel. Want als het zingen van de merel is het komen van God. ‘Alleen wie opnieuw wordt geboren, kan het koninkrijk van God zien,’ zegt Jezus. Dat woord ‘opnieuw’ betekent ook ‘van boven’. Van waar de merel zingt. ‘Opnieuw’ is niet: probeer het nog maar eens. ‘Opnieuw’ is: laat het maar gebeuren, die liefde die van boven komt.

En als je het dan laat gebeuren, dan kan het zo maar zijn dat het geheim van de Drie-eenheid jou ten deel valt. Want God is niet te lokaliseren, laat staan te definiëren. Zoals liefde niet te vangen is, maar herkend wordt in wat ze doet en in wat ze teweeg brengt. Drie-eenheid is God in beweging, is de merel in zijn vlucht. Als wij zeggen dat God één is, dan zijn we niet aan het rekenen, maar bedrijven wij de liefde. Die liefde tussen God de Vader en God de Zoon, dat is God. Ze waait waarheen ze wil. Naar jou toe bijvoorbeeld, als jij wakker ligt in de nacht en niet meer weet waar jij het zoeken moet. God was al liefde, vóór jij uit het stof werd wakker gekust. God is geen hogere wiskunde, God is niet één keer één keer één, zoals de beterweters ons willen doen geloven.

Als wij de zang van de merel herkennen als de liefde van God waarmee wij volstromen, dan worden wij deel van dat grote geheim van de goddelijke liefde die ons zoekt. Niet te definiëren. Niet te lokaliseren. Drie-ene God, u zij al de eer.

In de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest
Amen

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.