Preek van de week – 9 oktober 2016

Genesis 32, 23 – 33
Lucas 17, 11 – 19

I
Er zijn van die nachten waarin het gebeuren moet. Er is geen ontkomen aan. Je moet er doorheen. En er is maar één ding zeker: Als het al weer licht wordt, dan is alles anders dan het voorheen was. Want je kunt niet verder op de oude weg. Je zou wel willen, maar het oude werkt niet meer. De weg loopt dood. Je voelt het aan je lijf, dat er pijn van doet. En je bent bang. Doodsbang. Want je weet ook niet wat er komen gaat. Dit is zo’n nacht, die anders is dan alle andere nachten. Dit is de nacht waarin Jakob worstelde totdat de dag aanbrak.

Zo’n nacht heeft raakvlakken met de doop. We ervaren de doop als een vertederend feest. Maar wat doen we die kleintjes aan? Ouders staan hier om hun kinderen bij God in bewaring te geven, om een tweede ring van liefde te leggen om de eerste ring van hun eigen liefde voor hun kind heen. Zo is het toch? Bescherming, daar is het om te doen. Maar we brengen ze in ademnood wanneer we ze de doop laten ondergaan. Het water sluit zich boven de kinderen. O God, wees daar alsjeblieft! Wees daar waar ik geen grond meer voel en geen hand voor ogen zie! Doe mij opstaan! Breng mij aan land op een oever die ik nog niet kende! Dat klinkt allemaal mee in de schreeuw van de dopeling die oprijst uit het water, de longen vol gezogen met Gods adem. De doopvont heeft meer gemeen met de Jabbok (‘Worstelbeek’), waar Jakob zijn eenzaam gevecht levert, dan wij willen weten.

II
Er zijn van die nachten waarin het gebeuren moet. Er is geen ontkomen aan. Jakob staat in die nacht op, laat vrouwen en kinderen en alles wat hij bezit naar de overkant van de Worstelbeek brengen. Jakob blijft alleen achter. Hij kan niet door. Niet zo. De dag ervoor had hij een plan bedacht om in het ergste geval zijn vege lijf te kunnen redden, als zijn broer Ezau wraak zou komen nemen. Het plan stak heel goed in elkaar. Jakob zond cadeaus voor zich uit in de vorm van levende have: geiten, schapen, koeien ezels en kamelen. Wie weet valt er wat af te kopen. Nu niet met een bord linzensoep maar met rijkdom die er mag zijn. Ja, het mag wat kosten! En als plan a niet werkt, dan is er nog plan b: twee groepen maken en er daar een van opofferen. Met in de groep die ontkomt natuurlijk hijzelf, zijn liefste vrouw Rachel en Jozef, hun oogappel, hun enige. Zo had Jakob het bedacht.

Maar zijn slimmigheid gaf hem deze keer geen rust. Al die jaren had hij het ermee gered. Zijn tegenstanders liet hij de hielen zien. Hij was niet te pakken. Niet voor niets heet hij Jakob – d.i. ‘hij licht de hiel’ of ‘pootjelichter’. Maar nu  is het net alsof de nacht bij hem naar binnen kruipt. Is het niet ook al heel lang donker in zijn leven? Natuurlijk waren er lichtpuntjes en kwam elke dag de zon op om ’s avonds weer onder te gaan. Maar dat is niet wat ik bedoel. De verhalenverteller liet de zon over Jakob ondergaan, lang geleden toen hij op de vlucht was en onder de blote hemel overnachtte, met zijn hoofd op een steen. Daarna liet de verhalenverteller de zon nooit meer over hem opgaan. Over alles wat er daarna gebeurde lag een donkere deken. Jakob deed alsof die er niet was. Hij had een verhaal. En hij wist het te verkopen. Maar vannacht is er geen ontkomen meer aan. Stikdonker is het in zijn leven. Als die erkenning doorbreekt, werkt geen slimmigheidje meer.

Hij staat op in die nacht. Hij duikt niet weg, ontsnapt niet aan het donker in een mooie droom. Dit is de nacht waarin het moet gebeuren. Hij weet niet wat. Maar hij weet waar het begint: Met alleen zijn in het donker. Niet langer anderen er voor op laten draaien. Als alles en iedereen veilig over gebracht is naar de andere oever, blijft Jakob alleen achter.

III
Dan gebeurt het: iemand worstelt met hem tot de dag aanbreekt. Natuurlijk vraag je je af wie die iemand is? De verhalenverteller wil ook dat jij je dat afvraagt. Hij vertelt het niet voor niets zo schimmig. Toch vragen we nog even niet wie zijn tegenstander is. Eerst dat andere: Jakob worstelt in de nacht, in alle eenzaamheid. Alleen. En wij? Wij worden als hoorders de nacht in getrokken. Stuk voor stuk alleen. Wij gaan kopje onder in het verhaal, als de dopelingen in het water. Aan deze nacht is niet te ontkomen. Wij zijn geen toeschouwers die er iets van moeten vinden. Wij zijn als Jakob.

Dit is de nacht waarin het moet gebeuren. Maar je hebt die zelf niet ingepland. Jij hebt de regie niet. Deze worsteling heb je niet gezocht. Hij overkomt je. Hij overkomt je omdat de antwoorden op al je vragen voor jezelf niet langer geloofwaardig zijn. Hij grijpt je aan omdat de mooie gedachten over een God die liefde is en die alles uiteindelijk wel in goede banen zal leiden voor jou en die je lief zijn, je niet langer gerust kunnen stellen. Nee, deze worsteling heb je niet gezocht. Maar mooi weer spelen terwijl het al zo lang donker is in je leven, dat houd je op den duur niet vol. En een ander de schuld geven van de rotzooi die je zelf mee veroorzaakt hebt, dat werkt ook niet tot in de eeuwigheid. Van dat soort gedrag word je pas echt eenzaam. En hoe eenzaam zijn we collectief niet aan het worden? Ieder voor zich probeert wat licht te kopen, met of zonder God aan zijn zijde. Ieder probeert de verantwoordelijkheid te ontlopen voor de kaalslag van de aarde en de uitsluiting van grote groepen mensen. Niet omdat we zo slecht zijn, maar omdat we er ieder voor zich geen weg mee weten. We keren de nacht onze rug toe en zoeken God in het licht. Als we God nog zoeken.

Maar stel nou eens dat God daar niet is. Niet in het licht dat schaars wordt en ons steeds vaker ontglipt. Stel nou eens dat God in de worsteling is en niet in het ontsnappen aan je angsten en je ergste rampscenario’s. Stel nou eens dat God de nacht van deze wereld verkozen heeft boven het licht, dat alleen mensen die redelijk bij kas zitten zich nog kunnen veroorloven. Stel dat God is in de worsteling, die jij niet hebt gezocht maar die je overkomt. Zoals het Jakob overkomt als zijn trukendoos leeg is en hij zijn laatste zwavelstokje heeft verbruikt.

IV
Nu wordt het echt tijd om te vragen hoe God aanwezig is in de worsteling. Is het God die daar bij de Jabbok met Jakob worstelt? De verteller zegt geen nee en zegt geen ja. Hij vertelt het verhaal zo dat bijna niet te onderscheiden is wie wie is in de worsteling. Wie zegt nou wat? Wanneer is Jakob aan het woord en wanneer zijn tegenstrever? De nacht ontneemt je het scherpe zicht. Worstelt Jakob alleen met zichzelf? Worstelt hij met het angstbeeld dat hij van zijn tweelingbroer Ezau heeft opgebouwd? Of is het gewoon God? En met ‘gewoon God’ bedoel ik dan God die de wereld bestuurt en die het antwoord is op al onze vragen en die de reden is dat wij hier nog komen.

‘Het kan God niet zijn, want Jakob heeft hem in de houdgreep,’ zei een van de voorbereiders aan de dienst. ‘En hoe kan een mens nou sterker zijn dan God?’ Goeie vraag. Die alwetende en almachtige God kan het niet zijn. Niet die God bij wie we al onze verantwoordelijkheden over de hemelse schutting kunnen gooien. Niet die God, die veel te groot is om met een mens te vechten. Maar als het nou eens God is aan wie we maar niet kunnen wennen. God, die ons steeds opnieuw verrast en die ons uit evenwicht brengt, omdat hij niet het verlengstuk is van onze gedachten over hem. God, die niet in het licht woont om daar mooi en goed te zitten wezen. God, die de nacht verkiest boven de dag. God, die jouw nacht verkiest boven alle mooie woorden die je altijd over hem sprak. God, die mens geworden is in Christus, die jou niet los wil laten en die met jou de nacht verduren wil. God, die jou niet bij de hand neemt en je naar de nooduitgang leidt, maar die het gevecht met je aangaat tot je niet meer wegloopt voor jezelf en voor het donker dat overal is. Die God is niet per definitie sterker dan jij. ‘Zie de mens!,’ zegt Pilatus als hij de afgeranselde Christus aan het volk toont. ‘Eén in Wezen met de Vader,’ zegt de kerk over hem, ‘en door wie alle dingen zijn.’  Uit zijn onvoorwaardelijke solidariteit met stuk gelopen mensen wordt de nieuwe dag geboren. Daar hoort de nachtelijke worsteling bij, het onder ogen zien van het eigen failliet. En dan niet op de rug gaan liggen om te jammeren over je zonden, maar God vast  grijpen die jou vastgrijpt, de hele nacht lang. En dan zeggen: ‘Ik laat je niet los tenzij je me zegent!’

‘Hoe kan een mens nou sterker zijn dan God?’ Het kan als deze mens niet langer gelooft in de sprookjes die zij over God en over zichzelf vertelt. Het kan als zij de worsteling aangaat met zichzelf en de nacht niet langer probeert te ontvluchten. Het kan als zij niet loslaat en weet dat zij de zegen nodig heeft om zonder grote antwoorden te kunnen leven.

V
Ja, maar wat hebben we dan concreet in handen? Dit klinkt toch rijkelijk schimmig. Zeker, maar zo is het verhaal. Als het morgenrood opklimt en de zon over Jakob gaat stralen, is de nachtelijke tegenstrever vertrokken. Hij laat geen voetstap achter, die wij analyseren kunnen. Of het moet die mens zijn, die niet langer zijn hielen licht om zijn verantwoordelijkheid te ontlopen. De mens die weigert een ander pootje te lichten om in de race te blijven: ‘Voortaan zal je naam niet Jakob zijn, maar Israël, want je hebt met God en mensen gestreden en je hebt gewonnen.’  Israël – vechter met God.

Jakob loopt mank. Hij komt niet ongeschonden uit de nacht tevoorschijn. Hij draagt de nacht in zijn lijf met zich mee. Nooit meer zal hij doen alsof de nacht voor hem niet bestaat. In elke stap die hij zet zie je het aan hem. Maar er is iets anders. Over hem is een licht opgegaan dat geen enkele nacht nog kan verduisteren. De mankepoot straalt. Niet de ster, die weet te ontsnappen aan het donker, schittert. Maar de mankepoot. Gezegend zij hij! Gezegend door de Ene die onze nacht verkiest boven de godenhemel, over wie geen zinnig woord valt te zeggen omdat hij liefde is, sterk als de dood. Wij worstelen en komen boven. Halleluja!

Amen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *