Preek van de Week – zondag 6 november ’16 (Gedachtenis van de overledenen)

Psalm 23
Openbaring 7, 9 – 17

I
Dit is zo’n zondag die eruit springt. Met talloze draadjes zit deze zondag vast aan even zovele ervaringen van gemis. Aan nog veel meer herinneringen aan een liefste. En aan de liefde zelf, die een weg zoekt omdat die ander er niet meer is om de liefde te beantwoorden. Dit is zo’n zondag die eruit springt omdat je niet kunt zeggen: ‘Nou ja, volgende week beter.’ Omdat het er vandaag op aan komt, omdat alles wat hier gezegd en gedaan wordt zo kostbaar en tegelijk zo breekbaar is. Vandaag hoeft een dominee geen klompen aan te trekken om iets bij je stuk te maken.

II
Beide lezingen voeren ons naar het water. Dat is niet toevallig. De schrijver van het boekje Openbaring kent de herder uit Psalm 23 ook. Je hoort de balling Johannes zingen alsof hij niet gevangen zit: ‘De Heer is mijn herder! / ‘k heb al wat mij lust; / Hij zal mij geleiden / naar grazige weiden. / Hij voert mij al zachtkens / aan wateren der rust.’ Zijn vrijheid kunnen ze hem ontnemen, maar zijn verbeeldingskracht niet. Johannes kijkt dwars door het dak van zijn cel op het gevangeniseiland heen. Zelfs de sterrenhemel wijkt voor zijn verbeeldingskracht. Hij kijkt tot in de hemel. De machtigen denken dat er geen andere hemel bestaat dan hun eigen hemel. Ze denken dat ze voorgoed weg zijn: al die dwarsliggers waar ze korte metten mee hebben gemaakt. Maar Johannes weet beter. Daar zijn ze! Niet te tellen. En niet alleen van ons soort mensen. Nee, uit alle landen en volken, van elke stam en taal. Ze staan voor de troon. Nee, niet de troon waar de liefhebbers van het pluche zo aan hechten. Dit is de troon met in het midden het lam. ‘Hij zal hun herder zijn en hun de weg wijzen naar de waterbronnen van het leven.’ En jullie dachten dat je ze voorgoed had klein gekregen? Vergeet het maar: ‘God zal iedere traan uit hun ogen wegwissen!’

III
Ik wil u vragen vanmorgen heel dicht bij iedere traan in uw ogen of in uw ziel te blijven. Ik vraag u dat omdat de waterbronnen van het leven, waarheen de herder ons brengt, ook onze tranen bevatten. De waterbronnen van het leven zijn niet een verloren gegaan paradijs. En ook niet een hemels pretpark voor ooit eens. ‘Niet treuren,’ zeggen mensen die het goed met je voor hebben. Maar voor wie jouw verdriet ook lang genoeg geduurd heeft. ‘Niet treuren: Zij heeft het goed nu.’ Of: ‘Hij heeft geen pijn meer. Hij is bij God. Dat weet je toch?’

Vooral die laatste vraag maakt eenzaam. ‘Je weet het toch?’ Ja, je wist het. Toen het leven nog in tact was, wist je het. Natuurlijk twijfelde je wel eens. Wie niet? Maar het was niet erg. Nu is het wel erg. Nu je die ene zo mist en nu alles wat je ooit geloofde, je niet echt troosten kan. En iedereen bedoelt het goed: ‘Je weet het toch?’ Je had het misschien zelf ook kunnen vragen, als hij op jouw stoel had gezeten en jij op de zijne. Maar zo is het niet. Hier zit jij en je weet niet wat je overkomen is. Alleen je tranen weten het.

De meest troostvolle momenten zijn niet die waarin je het weer even zeker weet: ‘Ja, we zien elkaar terug bij God in de hemel!’ Daarin zit de troost niet. De meest troostvolle momenten zijn die waarin je ‘s avonds de waxinelichtjes aansteekt bij haar foto en je de tranen de vrije loop kunt laten. Als er niemand in de buurt is die aan je vraagt om niet te blijven treuren. Je weet maar een ding zeker: ‘Wat heb ik veel van haar gehouden en wat mis ik haar.’ En toch zijn dat de momenten waarin er zomaar een diepe rust in je kan dalen. Dat gemis kun je uitleggen. Maar die rust is onverklaarbaar. ‘Hij laat mij rusten in groene weiden en voert mij naar vredig water,’  zingt David. Bij dat vredig water horen ook de tranen in je ogen. Je gelooft met je tranen en niet met je zeker weten. Niemand die ze af mag wissen omdat hij het niet kan aanzien. Alleen God zelf mag ze afwissen. ‘En God zal iedere traan uit hun ogen afwissen,’ zegt Johannes in het donker van de gevangenis.

Staande voor de foto met de waxinelichtjes aan, of zittend in de stoel ernaast, worden het gemis en de schreeuw van binnen een gebed. Het gaat niet eens bewust. Je rolt er zo maar in. Alsof God zelf de weg naar jou gevonden heeft. Niet dat dan het gemis weg is als sneeuw voor de zon. Misschien is het er wel meer dan ooit. Maar je kunt het zeggen zonder de paniek die je zonet nog voelde: ‘God, ik mis haar zo.’ En soms lijk het dan net alsof zij, die er niet meer is, meedoet in het gebed. Het zijn momenten die je niet vast kunt houden. Soms zijn ze er weer. Opnieuw. En dan altijd als nieuw. Maar vaak ook niet. Dan blijft het bij de tranen en bij het diep gevoeld gemis als jij de waxinelichtjes bij de foto weer hebt aangestoken. Die heilige momenten, laat niemand daarvan zeggen dat jij je het maar hebt verbeeld. Want jij weet wel beter. Die heilige momenten, laat niemand daarvan zeggen: ‘Zie je nou wel dat er een hemel is?’. Want jij weet hoe anders die momenten zijn dan alles wat een mens krampachtig zeker meent te weten.

IV
De tranen en de wateren van rust uit de psalm van David, haal die niet uit elkaar. Net zo min als het luide roepen van die onafzienbare menigte in Openbaring niet los staat van dat lam in het midden van de troon: ‘hij zal hun herder zijn en hun de weg wijzen naar de waterbronnen van het leven.’ Ze horen bij elkaar, dat lam en die menigte.

Nu komen we op een moeilijk punt aan in de overweging. Niet omdat de hersens ervan gaan kraken. Maar omdat je het liever niet wilt horen. ‘De HEER is mijn herder’ is niet van ons. Ook als dit het laatste kerklied is dat mensen zich nog weten te herinneren, nadat ze een eeuwigheid geleden de kerk al gedag hebben gezegd, het is niet van ons. Op het gevaar af dat ik iemand op de ziel trap of het laatste lijntje doorknip naar wie weet ooit nog eens de kerk, ‘De HEER is mijn herder’ is niet van ons.

Het is een psalm van David. Als hij wordt achtervolgd en opgejaagd door eenheden van de koning. Als hij zich met zijn kameraden openhaalt op smalle paden tussen rotsen door. Permanent op de hoede voor een hinderlaag. Altijd in het nauw. Hij gaat door een dal vol schaduw van dood. Bij leven al. Deze psalm is geen zekerheidje voor wie troost zoeken voor de eindigheid van het leven. De groene weiden en de wateren van rust zijn niet het landschap van de hemel. De verbinding tussen deze psalm en het gemis, dat wij ervaren na de dood van een geliefde, ligt in het harde werken van wie rouwt. Daar wordt de psalm van David jouw psalm. Niet in het vredig landschap van een gedroomd hiernamaals.

Zoals een vreemde diepe rust een mens kan overkomen, die met betraande ogen voor de foto staat, waarbij hij zelf de waxinelichtjes heeft aangestoken, zo vertelt David wat hij ervaart midden in de benauwenis.  Terwijl hij wordt achtervolgd door eenheden van de koning, zingt hij: ‘Mij achtervolgen slechts goedheid en vriendschap al de dagen van mijn leven.’  Terwijl hij zijn kamp opslaat en op zijn hoede moet zijn, zingt hij: ‘in weiden vol groen vleit hij mij neer, hij voert mij mee naar wateren van rust.’ De psalm getuigt van een nabijheid die nooit vanzelf zal spreken. De psalm is niet het eigendom van wie hun religieuze antenne nog niet hebben verloren. De psalm is een geschenk aan mensen, die geen andere keuze hebben dan door dat dal te gaan vol schaduw van dood. Daar ligt de verbinding met hen die rouwen. Ze moeten er doorheen. Zonder te weten wat er om de bocht te wachten ligt. Rouwen is hard werken. Voor wie gelooft en voor wie niet gelooft.

V
Johannes ziet dat het lam in het midden van de troon hun herder zal zijn. De tegenstrijdigheid viel me tijdens de voorbereiding van deze dienst voor het eerst op: het lam zal hun herder zijn. Hoe kan het lam in godsnaam onze herder zijn. En het ziet er ook nog eens niet uit, weet u? In het visioen van Johannes is het mes in hem gezet. Het heeft een halswond alsof  het is geslacht. En hij moet onze herder zijn? Wij willen een echter herder, een sterke leider, die ons met zekerheid naar de eeuwige schaapskooi leidt. Een die ons eens laat rusten in groene weiden. Een die ons eens voert naar vredig water.

Deze herder is te veel een van ons. En dan niet van ons in ons zondagse pak, maar van ons, als alles plakt van tranen en van zweet. Als wij rouwen met de pijn in ons lijf. Als de dood die liefste uit jou heeft gerukt. Als jij worstelt met dat onomkeerbaar gat in jouw bestaan. Daar lijkt hij op: op dat lam dat jij bent. Moet hij de herder zijn die ons leidt? Ja, hij is het geheim van die onverklaarbare rust die in je daalt als jij de waxinelichtjes aansteekt en jouw paniek een gebed wordt en jouw gemis een plek van nabijheid. Niemand die tegen je zegt: ‘Je weet het toch?’ Want je weet niks. Het overkomt je.

Wat ik van Psalm 23 zei, geldt ook voor het boek Openbaring: het is niet van ons. De psalm is van David, opgejaagd wild. Openbaring is van die onafzienbare menigte voor de troon, al die mensen die een geschiedenis lang over de kling werden gejaagd. Openbaring is van misbruikte vluchtelingen. Openbaring is van de kinderen in Aleppo na het zoveelste bombardement. ‘het lam in het midden van de troon zal hun herder zijn en hun de weg wijzen naar de waterbronnen van het leven; en God zal iedere traan uit hun ogen wegwissen!’ Openbaring wordt van ons zoals Psalm 23 van ons wordt als alle zekerheden ons uit handen zijn gevallen en wij aan alle lieve mensen om ons heen niet meer kunnen uitleggen hoe kapot we zitten.

Dichter bij God kan een mens niet zijn, hoe tegenstrijdig dat ook moge klinken. Dichter bij God kan een mens niet zijn, omdat in het gemis en in de pijn God de jouwe wil zijn. Vandaar die wonderlijke rust die soms zo maar in een mens kan dalen. God is dat lam geworden met de halswond in het midden van de troon. In Hem leven wij. In Hem sterven wij. In Hem rusten wij.

In de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest.
Amen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *