Skip to main content

Preek van de Week 3e Advent – Zondag 17 december ’17 door ds. Alberte van Ess

Lezingen: Jesaja 35: 1-10 en Mattheus 11: 2-10

In eerste instantie was ik toch, beken ik maar, enigszins verrast: een aankondiging over de mail van een winkelketen op de meubelboulevard: meld u aan voor de adventskalender! Dat ze daar weten dat er zoiets bestaat als adventstijd, dacht ik nog! Mijn enthousiasme werd echter vrij snel bekoeld toen ik verder las over unieke dagaanbiedingen en zelfs een winactie.
De Adventsgedachte was dus vooral gebruikt voor eigen voordeel. Er werd alleen letterlijk en figuurlijk geappelleerd aan de goedkope kant van verwachten. Dat aangename deel dat ons niks kost, omdat we de vervulling van de verwachting zelf in de hand hebben en op elk gewenst moment realiteit kunnen laten worden.
Vandaag horen we ook van die andere, meer schurende, keerzijde van verwachten, die ons duur kan komen te staan. Die ons hele bestaan op de kop kan zetten en alles van ons vraagt om het uit te houden. Zal het ‘nog niet’ ooit ‘toch wel’ worden? Die tergende vraag en eeuwige twijfel, hartverscheurend verwoord door Johannes de Doper, eenzaam en verlaten in zijn cel. De kroongetuige van Jezus, die hem zelf gedoopt heeft, twijfelt. Heeft hij het wel bij het rechte eind gehad met zijn profetie over Hem, die na hemzelf kwam: Jezus, de Messias? Was Johannes een ware profeet, als wegbereider van Jezus?
Hij was in ieder geval geen profeet, die je naar de mond praatte. Geen riet, die met alle winden meewaait. Johannes de Doper was een boeteprediker, die opriep tot bekering. Hij waarschuwde voor het naderende wereldgericht en bood een weg om aan het oordeel te ontkomen: de doop. Zo kon men zich laten reinigen van alle zonden. “Bekeert u want het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen!” Dat was de boodschap van Johannes. En ook de boodschap van Jezus. Tenminste volgens het evangelie van Mattheus. In dit evangelie wordt zelfs een direct verband gelegd tussen het optreden van Johannes en Jezus. Als Jezus verneemt dat Johannes is overgeleverd, zo lezen we daar, begint zijn eerste openbare optreden.
Het is aannemelijk dat Johannes ook zelf in Jezus optreden de vervulling zag van zijn eigen verwachtingen. Toch kreeg hij twijfels en deze bereiken hun hoogtepunt als Johannes in de gevangenis terechtkomt omdat hij openlijk kritiek had geuit op Herodes. De koning die berucht was om zijn wreedheid.
Johannes verwachtte en velen met hem van zijn tijd dat het Koninkrijk van God op het punt stond door te breken. Deze verwachting werd al lange tijd gevoed door bepaalde oude profetieën, maar rond het begin van de christelijke jaartelling werd deze hoop sterker door maatschappelijke en politieke ontwikkelingen binnen het Romeinse Rijk. Zo waren er joodse gemeenschappen die zich hadden teruggetrokken in de woestijn om daar het doorbreken van het Koninkrijk af te wachten. Johannes komt ook uit de woestijn opzetten en stopt bij de grensrivier de Jordaan, waar hij de mensen gaat dopen. Maar het laat zich raden dat er connecties waren met die woestijngemeenschappen, die streng religieus en teruggetrokken leefden.
Op dat punt moeten bij Johannes de twijfels zijn gaan rijzen. Want Jezus sloot zich helemaal niet op in de woestijn en zocht zelfs bewust omgang met mensen die er een zeer wereldse en daarmee bedenkelijke levenswandel op na hielden: tollenaars en hoeren. Was Jezus wel de Komende, was Hij wel de Messias waar iedereen op zat te wachten?
Tot zover de beredeneerde twijfel. En het is vaak goed om ook zo er naar te kijken. Bij twijfel niet oversteken. Maar gaat Johannes twijfel niet nog verder. Al zijn kaarten heeft hij gezet op die Ene, met een hoofdletter. En als die niet is waarvan Johannes dacht dat Hij het wel was, wie is hij dan zelf? Waar heeft hij zijn leven voor gegeven? Stort dat nu ook in elkaar als een kaartenhuis? Een geloofs- en identiteitsvraag, zouden we nu zeggen, een existentiële crisis. Want het hele persoonlijke bestaan wordt erin mee getrokken.
Het antwoord dat Jezus geeft op de brandende vraag van Johan¬nes heeft twee kanten: bemoedigend maar ook schrijnend. Veelbelovend is de serie zichtbare tekenen die Jezus opsomt en die horen bij heilstijd. Zes van die kenmerken somt Jezus op, zoals ze beschreven staan in de profetieën van Jesaja, waarvan wij een deel lazen: blinden gaan weer zien, kreupelen lopen weer rond, melaatsen worden rein, doven gaan horen, doden staan op en aan de armen wordt het evangelie verkondigd. Nummer zeven wordt echter niet genoemd, die in een ander hoofdstuk staat, namelijk: voor gevangenen is er opening van de kerkers. Johannes in de gevangenis is zo in eigen persoon het bewijs dat de heilstijd nog niet volledig is aangebroken. Het koninkrijk Gods is wel begonnen, in Jezus Christus, dat mag en moet Johannes geloven, maar het is nog niet voltooid.
Jezus neemt Johannes heel serieus in zijn twijfel. Maar alleen de stap van zijn eigen geloof kan Johannes tot antwoord zijn. Geloof moet telkens opnieuw gedaan worden. Je kunt niet eens en voor altijd geloven. Geloof beschouwd als het leven met en voor God is een proces dat in beweging is. Soms groeiend, soms afnemend. Vaak in wisselwerking met de ervarin¬gen die we opdoen in ons leven. Die kunnen ons geloof verdiepen, maar ook doen wankelen, omdat ze zo haaks staan op de verwachtingen. Daarom twijfel¬de Johan¬nes, daarom twijfelden de joodse ballingen?
Want die heeft Jesaja voor ogen als hij overweldigend van al zo hoge een heilsprofetie als tegenoffensief inzet. Voorbij alle twijfel, knikkende knieën en trillende handen. Het zal, wis en waarachtig. En wie precies moet dat weten? Het woord wordt hier in eerste instantie gericht tot degene die in de tijd na de ballingschap her en der in de verstrooiing leven. Ze voelen zich van God en mens verlaten. De beloften en de dagelijkse werkelijk¬heid liggen immers ver uit elkaar. Hun situatie is verre van rooskleurig. Die kan vergeleken worden met een woestijn: dor en verlaten. Gods volk wordt in deze profetie bemoedigd. Ze hoeven niet meer bang te zijn. God is in aantocht. Hij zal de volken richten, zodat zijn volk bevrijd is van de vijandelijke mach¬ten. Het landschap zal juichen en jubelen zoals men in de eredienst God lof toebrengt, in gejuich en gejubel. Het lijkt wel een nieuwe schepping met paradijselijke taferelen.
Daarnaast klinkt de belofte dat het verstrooide volk naar Sion zal terugkeren. Een heilige weg voert het heilige volk naar de heilige stad. De weg is alleen bestemd voor hen die door God bevrijd zijn. Wie God ontrouw is, zul je er niet vinden. En de weg is veilig: wilde dieren komen er niet op voor. De banne¬lingen keren juichend terug. Want er is een uitweg uit de ballingschap, uit de vervreemding. Alle leed is voorgoed gele¬den, alle zorgen zijn voorbij.
De profeet Jesaja ziet door het duister en donker van zijn tijd heen een woestijn die gaat bloeien. De schiere onmogelijkheid daarvan wordt treffend uitgedrukt in het beeld van een bloeiende lelie. Degene onder ons, die de inmiddels oude bijbelvertaling nog goed kennen en deze tekst, zullen misschien gedacht hebben: een lelie? Het was toch een narcis? Jazeker, in de vertaling van 1951. En nog veel eerder, in de Statenvertaling een roos. De Naardense vertaling blijft de roos trouw, net als het lied van Sytze de Vries, dat we zongen. De Willibrodvertalers daarentegen kiezen voor een krokus. Nu lijkt dat wellicht wat slordig, zeker voor een botanicus en een beetje plantenliefhebber. Maar we weten allemaal wel dat bloemen en bollen water nodig hebben om te kunnen groeien en bloeien. En dat schaarse goed in de woestijn is er nu volop. Daar gaat het om.
De vreugde over wat er allemaal zal gebeuren kan niet op in de profetie van Jesaja. Het kleurt daarmee het karakter van deze derde zondag, op de echte Adventskalender. Vandaag krijgen we een voorproefje van het grote feest met Kerst. De liturgische kleur fleurt er dan ook van op, naar roze. Want het paars van de tijd van inkeer, van Advent, wordt al iets doorbroken met het wit van Kerst. Zondag gaudete, wat betekent: verheugt u in het midden van de tijd.
Maar komt het aan? Zijn de twijfelaars om?
We zeggen wel eens: liefde moet van twee kanten komen. En zo is het ook met de liefde tussen God en mens. Advent belooft ons dat God naar ons toe komt met zijn liefde. Van die kant zit het dus wel goed. Nu wij nog. We hoeven de Eeuwige en zijn licht alleen maar te ontvangen en toe te laten, ook, juist ook in een weifelend hart in een donkere nacht. We krijgen die liefde zomaar in onze schoot geworpen als een kostbaar geschenk. Maar het gaat niet op bestelling. Er is ook geen track en trace code voor. Net als met de liefde tussen mensen, zal het nooit ons rechtmatig bezit worden, waar we zelf over kunnen beschikken. We kunnen ons er alleen maar voor open stellen en het laten gebeuren.
De vreugde daarover is ook mogelijk in het ‘nog niet’. Ik denk aan een ander geluid, eveneens uit de gevangenis. Van iemand die ook openlijk kritiek heeft geuit op een wreed regime en daarom gevangen is genomen. Net als Johannes moet hij een terechtstelling vrezen. Vanuit de gevangenis schrijft hij zijn geliefden voor Kerst in 1944. Met deze, wat later zal blijken laatste, brief stuurt Bonhoeffer een paar verzen als kerstgroet aan zijn verloofde en broers en zussen. Later is dit op muziek gezet. We zullen het straks zingen. In dit gedicht schrijft Bonhoeffer: “Maar wilt Gij ons nog eenmaal vreugde schenken om deze wereld en haar zonneschijn, leer ons wat is geleden dan herdenken, geheel van U zal dan ons leven zijn. Amen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *