Preek van de week – 31 juli 2016

Jesaja 55
Matteüs 5:6

I
‘Hé, jij daar! Hierheen! Hier is het water voor ieder die dorst heeft.’ (Jes. 55:1) Op de markt in de Joodse wijk van de hoofdstad Babel staat een man die de aandacht trekt van voorbijgangers. Hij verkoopt koel helder water. Zoals de buschauffeur van de touringcar in het Midden Oosten vandaag flesjes gekoeld bronwater verkoopt aan de toeristen die zich wapenen tegen de hitte. ‘Hé, jij daar! Hierheen! Hier is het water voor ieder die dorst heeft.’

De man op het plein heeft in alle vroegte water geput. Hij heeft een vreemde manier van verkopen. Hij roept: ‘Kom, ook al heb je geen geld.’ Hij schenkt in, deelt uit. En ondertussen blijft hij roepen:  ‘Hé, jij daar! Hierheen! Hier is het water voor ieder die dorst heeft.’ Voorbijgangers aarzelen. Wat is dit? Ze staan stil. Het wordt er steeds drukker. Sommigen zoeken gegeneerd in hun zak naar een kopermuntje. Maar de waterverkoper hoeft het niet. ‘Laat het je smaken. Het is gratis.’ Hij gaat nog verder: ‘Koop hier je voedsel en eet. Kom, koop voedsel zonder geld, koop wijn en melk zonder betaling. Waarom geld betalen voor iets dat geen brood is, je loon besteden aan wat niet verzadigen kan?’ (Jes. 55:2) Het is de profeet Jesaja die daar op de markt water en woord staat uit te delen.

II
Het zijn onzekere tijden. De wereld staat op de kop. Waar kennen we dat van? De hegemonie van Babel kraakt. Het is onrustig aan de grenzen van het rijk. De legers van de Perzen winnen terrein. De macht is aan het verschuiven. Niemand weet wat de gevolgen zullen zijn voor de wereldeconomie. Jesaja ook niet. Een kleine vijftig jaar geleden is Jeruzalem verwoest door de oorlogsmachine van Babel. Al het kader werd toen gearresteerd en op transport gezet naar Babel. ‘Aan de rivieren van Babylon, / daar zaten wij treurend / en dachten aan Sion. / In de wilgen op de oever / hingen wij onze lieren,’ (Ps. 137) zong de volkszanger van  toen. Nu Babel kraakt, ontstaat de ruimte om te dromen. Joodse singer-songwriters halen de lieren weer uit de wilgen. Ze stemmen de instrumenten en zingen met Bob Dylan: ‘The times, they are a-changin’. En bij de klanken van dat lied ziet Jesaja voor zich wat God voor de ballingen in petto heeft. Wijzen en verstandigen schudden hun hoofd: Wijn en melk zonder betaling? Brood voor iedereen? Een wereld, die niet geregeerd wordt door het geld?

De kans is groot dat de koning van de Perzen de ballingen in Babel de ruimte zal geven om terug te keren naar Jeruzalem en de stad te herbouwen. Herstel is mooi. Maar voor Jesaja is dat niet de kern van wat er staat te gebeuren. Het gaat niet om het herstel van oude glorie. En het gaat niet om de welwillendheid van een volgende wereldheerser. De geschiedenis heeft geleerd dat ze doorgaans meer van het zelfde zijn. Jesaja doet een statement: God zelf is de motor van de verandering die er aan zit te komen en de nieuwe wereldheerser heeft een plek in zijn plan. Dat plan behelst de vervulling van een oude belofte: dat Kanaän het land zal zijn dat overvloeit van melk en honing voor een volk dat alleen gebrek was gegund. Met Jeruzalem als Mokum, toevluchtsoord voor wie geen woonplaats kenden.

Ach jongen toch! Waar moeten we beginnen om jou op andere gedachten te brengen? Hoe peuteren we jou aan het verstand dat God geen grip heeft op de wereldheersers? Dat hij geen koning is in het kwadraat. Dat zijn terrein ons hart is. Dat wij zo goed mogelijk moeten omgaan met elkaar. Dat hij er ook niks aan kan doen als mensen een janboel van de wereld maken. Dat wij dat ook door schade en schande hebben moeten leren. Dat het geloof door persoonlijke crises heen gaat en dat je daar sterker uit kunt komen. Kortom: het slaapverwekkend blablabla van seniorgelovigen, waar niemand in de wereld wakker van schrikt.

Het is eerder andersom: de seniorgelovigen onder de ballingen in Babel schrikken van Jesaja die daar in de publieke ruimte getuigt van God en van verandering. Daar staat hij water uit de delen aan dorstige voorbijgangers. Wie dorst er nog naar God? Wie hongert er nog naar verandering? Zij niet. Na vijftig jaar zijn zij het verdriet te boven van wat hen toen is aangedaan door de elitetroepen van Babel. De trauma’s hebben een plek gekregen. Nu is hier in Babel. Hier kun je ook geloven. Als ze Jesaja zo bezig zien met zijn straattheater, moeten ze bij zichzelf erkennen dat de dorst naar God er niet meer zo is, laat staan de honger naar verandering.

Velen hebben hun plekje in Babel gevonden. Voor sommigen is hun kostje zelfs gekocht. Ja, ze besteden geld aan wat niet verzadigen kan (Jes. 55:2). Wie niet? Als je er maar een beetje christelijk mee omgaat, toch? Er niet te vast aan zit. En zo nu en dan wat goede doelen steunt. De geldeconomie biedt voldoende ruimte om God en de naaste ook aan hun trekken te laten komen, toch? God ziet immers het hart aan en speelt al lang niet meer de rol van baas boven baas. Dat godsbeeld hebben we wel gehad. Ja, nu we het er toch over hebben: de seniorgelovigen, die Jesaja bezig zien, zitten meer in over de economische gevolgen van de veranderingen die er aan zitten te komen. Zo’n machtsovername op wereldschaal drukt het vertrouwen en kan zo maar leiden tot een ernstige wereldwijde recessie. Wat God moge verhoeden! Als hij dat zou kunnen. Naar verandering hongeren ze allesbehalve. En mocht het er toch van komen, dan zullen ze troost zoeken bij God. God is eerder het plekje om bij te schuilen als het even niet mee zit, dan dat zij dorsten naar God en naar de verandering waar Jesaja van spreekt.

III
Als Jezus de mensenmassa ziet, zegt hij tegen hen: ‘Zalig wie hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, omdat zij zullen worden verzadigd.’ (Mat. 5:6) Alvast gefeliciteerd! Hij spreekt als een tweede Jesaja. Weer zo’n jonge hond die hunkert naar verandering. Vijf eeuwen later. Het is er blijkbaar niet uit te slaan. Maar onder het publiek deze keer geen seniorgelovigen, die besluiten te blijven zitten waar ze zitten. De mensenmassa in het evangelie heeft immers geen plek om het hoofd neer te leggen. Eieren kiezen voor hun geld, kunnen ze niet.  Want ze hebben niks te makken. De gerechtigheid kennen ze niet. Honger en dorst des te meer. Ze weten hoe honger en dorst je de kop gek kunnen maken, hoe het beslag legt op je dromen, hoe je nergens anders meer aan denken kunt, vóór je wegglijdt in totale passiviteit. Ze weten niets van de gerechtigheid omdat die hen een leven lang ontzegd is. De schriftgeleerden weten van de gerechtigheid en hoe je die dichterbij brengt met je goede gedrag. En hoe hard werken dat is. Zij weten dat niet.

Zij hebben alleen hem die hen aanziet. Dat Gods gerechtigheid daar begint, dat wisten ze niet. Gerechtigheid begint niet bij wat jij voor God kunt doen. Gerechtigheid begint bij wat God met jou doet. Zoeken, net zo lang tot hij je heeft gevonden en jou in zijn hart kan sluiten. Wat is dat toch met die Jezus? Die blik, die beslag op hen legt. Je gezien weten en meer dan dat. Er is liefde in het spel. Hij wil niet meer uit je systeem. Zoals honger en dorst, wil hij niet meer uit je systeem. ‘Ik sluit met jullie een eeuwigdurend verbond,’ spreekt Jesaja die in zijn straattheater God de bühne geeft. ‘Een verbond als bevestiging van mijn liefde voor David.’ ‘En nu, kijk, hier is hij, met jullie op de berg: mijn getuige voor de volken, mijn koning, mijn alles! En hij zal jullie alles zijn.’ Hier spreekt geen God, die zich tevreden stelt met de ruimte die de machthebbers hem geven; een ruimte waar de seniorgelovigen al lang content mee zijn. Want achter de voordeur heb je God immers voor jezelf. Hier spreekt ook geen God, die vanuit zijn hoge hemel wereldheersertje in het kwadraat speelt. Hier spreekt God die ziet en die in het systeem gaat zitten van hen die zich nooit gezien wisten.

IV
Gerechtigheid, wat is het eigenlijk? Dat geen mens tot ding wordt gemaakt door anderen of door de omstandigheden waarin zij terecht is gekomen. Een ieder heeft het recht op leven, vrijheid en onschendbaarheid van zijn persoon. ‘Gerechtigheid!,’ roepen we als mensen worden afgestraft voor het onrecht dat ze een ander hebben aangedaan. We doen het niet slecht in Nederland. We scoren hoog als het gaat om het handhaven van de rechten van de mens. En er is een sociaal vangnet dat voorkomt dat mensen dingen worden. Nu de dieren nog.

We hebben voedselbanken. ‘Het is erg dat ze nodig zijn,’ roepen we politiek correct. En ja, het zou een mooi doel zijn om ze overbodig te maken, toch? We zouden stijgen op de ladder van de gerechtigheid als iedereen gewoon haar dagelijkse boodschappen in de supermarkt zou kunnen doen zonder stress en zonder diep in het rood te schieten. En toch, Jesaja pleit er voor dat we allemaal naar de Voedselbank gaan. Zo ziet het beloofde land er uit: ‘Kom, koop voedsel zonder geld!’  Dan moet wel het assortiment wat worden uitgebreid. Wijn ontbreekt in de schappen van de Voedselbank. En het beloofde land zonder wijn, dat kan echt niet! ‘Koop wijn en melk zonder betaling.’

De meeste omstanders rond Jesaja besluiten om in Babel te blijven. Met pijn in het hart, dat wel. Ze kunnen niet mee in de droom van een nieuw Jeruzalem. Gods gerechtigheid is hen te machtig. Wij denken dat Gods gerechtigheid en ons economisch systeem hand in hand kunnen gaan. We hebben het immers zelf ingericht. Ook al stuurt het nu zelfstandig ieders leven aan, tot geluk van de een en tot ramp voor de ander. De economie en Gods gerechtigheid gaan hand in hand. Wij waren toch ooit het Christelijke westen? En we barsten toch nog steeds van goede wil?

Vast en zeker. Maar Gods gerechtigheid begint niet bij onze goede wil. Ze begint ermee dat God ons heeft aangezien. Toen we tijdens de voorbereiding van deze dienst Jesaja 55 lazen voelden we ons aangesproken en omarmd. ‘Een volk dat jou nog niet kende, zal zich haasten om bij je te zijn,’ zegt Jesaja. Dat volk dat zijn wij. En die ‘jij’ dat is de messiaanse getuige, dat is Israël. De kerk heeft Jezus herkend in die messiaanse getuige. Hij heeft ons aangezien. Hij ziet hoe opgejaagd wij raken door onze volle overgave aan de geldeconomie enerzijds en het verlies van een thuis, een gemeenschap, ons eigen gezicht anderzijds. Hij ziet ons aansluiten bij de mensenmassa die al eerder moeste constateren geen kant meer op te kunnen. Dat hij het ziet, daar begint Gods gerechtigheid.

’s Morgens vroeg, voor de Voedselbank open gaat, zie ik vaak mensen zitten in de zon of in gesprek met elkaar. Wachtend tot ze voedsel kunnen kopen zonder geld. Kerken helpen fors mee om de schappen van de Voedselbank gevuld te krijgen. We doen het graag en met volle overtuiging, ondanks dat we zeggen dat Voedselbanken niet nodig zouden moeten zijn. Weet u waar die volle overtuiging uiteindelijk vandaan komt? Die komt bij de viering van het Avondmaal vandaan, als wij brood en wijn ontvangen zonder geld en Christus in ons midden weten, die ons aanziet. Het lijntje tussen het Avondmaal en de Voedselbank is kort. Wie weet komt het nog een keer samen: de mensen die buiten de Voedselbank wachten komen en vieren met ons het Avondmaal. En wij schuiven bij hen aan en shoppen met hen in een rijk gesorteerde Voedselbank. Want: ‘Waarom geld betalen voor iets dat geen brood is, je loon besten aan wat niet verzadigen kan?’ (Jes. 55:2)

In de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest. Amen

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *