Skip to main content

Preek van de Week 2e Advent – Zondag 10 december ’17

Jesaja 2, 1 – 5
Lucas 21, 25 – 33

I
Jesaja zag een visioen over Juda en Jeruzalem. Het is een visioen van vrede en van volken die samen optrekken. Eindelijk hebben ze de koers gevonden die niet leidt tot escalatie en vernietiging. Geen mens zal meer weten wat oorlog is. Dat diepe verlangen naar vrede en naar de rust om de ander te kunnen zien zonder bang te hoeven zijn, is universeel en van alle tijden. Jesaja leefde in de tweede helft van de 8e eeuw voor Christus. Wij leven in de 22e eeuw na Christus. Bijna drieduizend jaar scheiden ons van elkaar. Maar wat is drieduizend jaar als het om dit diepe verlangen gaat naar vrede en innerlijke rust?

Het is de maand december. De maand die dit vuurtje nog eens oppookt, zodat het in ons gaat gloeien. Door het jaar heen is het gemakkelijker om het koppie er bij te houden en al te hoge verwachtingen wat in te dammen. Want de werkelijkheid laat zich niet zo gemakkelijk vangen en plooien naar dat diepe verlangen naar vrede en innerlijke rust. Het is eerder andersom. We moeten realistisch zijn: Een muur bouwen om dat laatste stukje vrede heen. Vreemde invloeden buiten de deur houden om nog een beetje rust te kunnen hebben. Maar gaandeweg de maand december mogen we dat realisme een beetje laten vieren. Alles wordt wat zachter. Er gaan steeds meer lichtjes aan. De feestdagen zin aanstaande. Het verlangen krijgt de ruimte.

Niet voor niks lezen we het visioen van Jesaja in de maand december. Alles werkt dan een beetje mee om het voor je te kunnen zien: de volken die samen naar de tempel trekken in Jeruzalem, de zwaarden die tot ploegijzers worden omgesmeed. Het wereldnieuws lijkt zich wat in te houden als het kerstfeest dichterbij komt. De zachte kanten worden wat vaker belicht. Als de camera’s niets ontziend de verschrikkingen tonen van de oorlog en ons de angst laten zien in de ogen van kinderen, dan wordt het een stuk lastiger om het visioen van Jesaja tot het jouwe te maken.

II
‘Eens zal de dag komen…,’ zegt Jesaja. Ja, dat is natuurlijk ook een manier om het visioen niet kwijt te hoeven raken. Dan heb je de maand december niet eens nodig. Je plaatst het visioen zo ver weg in de tijd, dat het geen grond hoeft te hebben in de actualiteit. Het sprookje zegt: ‘Er was eens…’ De religieuze verbeelding zegt: ‘Er zal eens…’ Beide laten de verhoudingen hier en nu ongemoeid. Ze bieden verpozing en troost. Dat wist boer Jansen uit het boek “de dierenboerderij” ook al. Hij had een tamme raaf die Mozes heette en uit zijn hand at. Deze raaf vertelde de dieren dat er een beloning wachtte na hun harde beestenbestaan. Mozes schilderde hen in bloemrijke taal Suikersnoepheuvel, een land ergens boven de wolken. Eens zouden ze daar leven, waar ze cake konden grazen. Hoe groter het geloof in Mozes’ visioen, hoe meer de verwaarloosde dieren in staat waren het beestenbestaan te verduren.

Suikersnoepheuvel doet in de verte denken aan de berg van de HEER, verheven boven de heuvels, hoger dan alle bergen. Jesaja heeft wel wat van Mozes, toch? En wie zich wel eens afvraagt wat religie met mensen doet, zal ook niet in de war raken van een vergelijking tussen meneer god en boer Jansen.

III
Alleen is er wat met dat ‘eens’ waarmee Jesaja het visioen tekent. Het is dichtbij. Hij zag het. Hij zag het niet terwijl hij zat te mediteren in een stilteruimte, met de rug naar alle spanningen en uitbarstingen van geweld. Jesaja zag het terwijl de smeden in Jeruzalem druk bezig waren om de laatste snoeimessen en ploegscharen om te smeden tot zwaarden en speren. Want buiten de poorten van de stad trokken de legers samen van grootmacht Assyrië. Hoeveel steden waren er al niet onder de voet gelopen? Hoeveel volken waren er al niet op transport gezet, weg gevoerd naar nergens? Die koning Tiglath Pileser met zijn veldheren staan daar niet in slagorde om onderricht te ontvangen uit Sion of om de weg gewezen te worden. Als deze machtige natie binnen komt, is het ook met Jeruzalem gedaan.

Jesaja is geen pacifist, hoe graag ik dat ook zou willen. Dan had ik het tenminste gesnapt. Je hebt principes en daar sta je voor. Je hebt de decembermaand niet nodig om het visioen van vrede voor je te zien. En je laat je niet met een kluitje in het eeuwig riet sturen door Mozes, de raaf. Je bent van het hier en van het nu. Je ziet het geweld aan komen denderen, maar je houdt je vast aan je principes. Zo blijf je staande zoals ooit die anonieme man voor de tank die aan komt rijden op het Plein van de Hemelse Vrede in Bejing tijdens de studentenprotesten. Zo blijf je staande en houd je met je moed en met je overtuiging het visioen levend. ‘Eens’ is dan plotseling niet meer ver weg. Het is daar. En mensen hebben het gezien.

Maar Jesaja is geen man van principes. Ja, dat misschien ook wel. Maar dat is niet wat hem tot visionair en tot profeet maakt. Niet zijn principes houden hem staande. Maar wie of wat dan wel? Jesaja is kind aan huis in de tempel van Jeruzalem. Maar net zo gemakkelijk beweegt hij zich in de paleizen. Koningen vragen hem om raad. Hij is geen buitenstaander. Waarschijnlijk kwam Jesaja uit de aristocratische kringen van Jeruzalem. Hij denkt mee. Hij spreekt tegen. Maar wat maakt hem dan tot profeet? En wat houdt hem staande?

Het is zijn roeping. Dat klinkt wat flauw. Met principes kun je het eens of oneens zijn. Maar roeping onttrekt zich aan jouw controle. Roeping komt van boven, ook als je niet weet waar boven is. Als er iemand weet dat je met God niet schermen kunt, dan is het de profeet. Jesaja heeft zijn roeping als pijnlijk ervaren. Het was alsof zijn mond met een vurige kool werd aangeraakt. En elke keer als hij moet zeggen: ‘Zo spreekt de HEER’ voelt hij de brandende pijn ervan. Kom je dus ooit iemand tegen die te pas en te onpas weet hoe God het hebben wil en hoe het zijn zal, dan weet je: Dit is geen profeet.

Roeping blijft schuren. In de eerste plaats voor wie geroepen wordt. Maar ook voor wie het horen moet. Ook dat prachtige visioen van vrede en van wereldwijd gevonden richting – ‘Daar moet het naar toe!’ – schuurt. Tenminste, als je het niet bewaart voor onder de kerstboom. Onder de kerstboom smaakt alles zoet. En als je het visioen niet zo ver in de toekomst legt, dat het je niet meer raken kan in het hier en nu. Het prachtige visioen schuurt omdat de werkelijkheid zo anders wordt ervaren. Met legers voor de poorten van Jeruzalem in plaats van pelgrims. En met offers die moeten worden gebracht om je defensie op orde te krijgen, in plaats van zwaarden die tot ploegscharen worden omgesmeed. ‘Geen mens zal meer weten wat oorlog is,’ zegt Jesaja. Terwijl hij met eigen ogen ziet hoe jong en oud er op worden voorbereid.

IV
Ik zei het al eerder: ‘eens’ is in de profetie iets anders dan ooit. Het heeft meer met ‘opeens’ dan met ‘later eens’. Geschieden zal het, staat er. In de NBV is dat weg gevallen omdat het in eigentijds Nederlands niet echt goed bekt. Vandaar dat ‘eens’. Maar geschiedenis maken zal het visioen. Het zal zich niet te ruste leggen onder de kerstboom. Het laat zich niet verjagen naar het hemels Jeruzalem. Hier en nu zal het inbreken en de normale gang van zaken (wat heet!) scheef trekken.
Maar hoe werkt dat dan? Ontkent Jesaja gewoon de ernst van wat hij ziet gebeuren in zijn eigen dagen? Wil hij niet zien dat Jeruzalem bezig is naar de verdoemenis te gaan? We moeten nog beter kijken. Letterlijk staat er: ‘Het zal geschieden ‘be-acheriet ha-jamiem’, d.i. aan de achterkant van de dagen. Dat is een vreemde manier van spreken. Maar we moeten ons die eigen maken. Om God te kunnen ontmoeten moeten we kijken aan de achterkant van het alledaagse.

O ja, Jeruzalem gaat er aan. Niet nu misschien. Maar vroeg of laat. Het betaalt zich scheel aan Assyrië om overeind te blijven. Het schaft de dividentbelasting af om internationaal op de trom te kunnen blijven slaan. Maar na Assyrië zal Babel komen, na Tiglath Pileser Nebukadnezar. En dan zal het zo zijn zoals je in de meest boze dromen niet hebt voorbij zien komen. En dan toch dat visioen van vrede en van internationale solidariteit.

Het toont zich aan de achterkant van het alledaagse. Jesaja ziet hoe een kind in de wapenuitrusting stapt die hem niet past. Jesaja kijkt niet weg ook al jankt hij de ogen uit zijn hoofd. Hij ziet het kind en hoort zichzelf zeggen: ‘Ze zullen de oorlog niet langer leren.’ Meer nog dan met principes, hebben zijn woorden te maken met het kind dat hij ziet en aanziet. En weet u, die heuvel waarop Jeruzalem gebouwd is, die stelt ook niks voor. Door het diepe dal erlangs lijkt het heel wat. Maar het is een berg van niks. En dat weet Jesaja ook. En toch: ‘Verheven boven de heuvels, hoger dan de bergen’ zal ze staan. Want niet de uiterlijke grootheid zal de geschiedenis bepalen, maar de compassie om het kind en de zorg om al die volken die de weg kwijt zijn.

Wie vandaag God wil ontmoeten, moet leren naar de achterkant van de dagen te kijken. Niet langer opgejaagd door al het nieuws, alsof de voorkant van de dingen de geschiedenis bepaalt. Niet langer gevangen gehouden door de zogenaamde feiten en door het mantra dat het echt niet anders kan. Stil gelegd worden door het verdriet om een kind dat de oorlog in wordt gejaagd. Wetend dat je op dat moment kijkt met de ogen van God. Rust vinden in een zekerheid, die wel van buiten moet komen, biddend dat de geschiedenis aan de gekte voorbij komt omdat God met zijn compassie recht zal spreken tussen de volken en over machtige naties een oordeel zal vellen.

Net zo lang tot de achterkant van de dagen de voorkant van de geschiedenis zal zijn.

In de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest.
Amen

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *