Preek van de Week – 29 september ’19

1 Samuël 17, 31 – 58

I
‘Waar ben je er één van?’ Dat was een gangbare vraag in mijn geboortestreek. Je staat in de lijn van geslachten. Namen keren terug. Bijnamen verwezen naar de plek waar je wortels lagen. Je bent vernoemd. Je hebt al een levensverhaal vóór het jou verteld wordt. Zo was het. Ik denk dat de vraag ‘Waar ben je er één van?’ vandaag nog zelden wordt gesteld. Je wordt geacht je eigen verhaal te maken. Ouders kiezen een naam voor hun kind die ze mooi vinden. Een Bijbelse naam bijvoorbeeld. Zoals Hannah en Hanne. Ook Stijn is met een beetje fantasie een bijbelse naam te noemen. Keizer Augustus heette zo voor zijn vrienden. En er zal in de Nieuwe Kerk vast ook wel eens een David gedoopt zijn.

Daarvoor hoef je geen joodse wortels te hebben.  Je bent er niet één uit het geslacht van Jesse, de schapenboer uit Betlehem. Maar wie David heet, heeft een goede kans dat zijn verborgen verleden in het verhaal ligt dat vanmorgen is verteld: het verhaal van David en Goliat. Misschien vonden je ouders het gewoon een mooie naam. Zonder het verhaal te kennen. Maar ooit waren er ouders die dachten: ‘Ja, David moet hij heten! Naar de herdersjongen die de reus versloeg. Moedig, slim en onbevangen.’ Het verhaal van David en Goliat spreekt tot de verbeelding.

II
Of het waar gebeurd is, is een tweede. De samenstellers van het Bijbelboek Samuël doen niet heel hard hun best om het de lezers te laten geloven. In de tweede helft van het boek wordt het vellen van de reus Goliat aan ene Elchanan toegeschreven, de zoon van Jari, uit Betlehem (2 Sam. 21, 19).

Het verhaal van David en Goliat suggereert ook dat koning Saul David nooit eerder had ontmoet en niet wist van wie hij er één was. Terwijl David in het verhaal ervóór als harpspeler uitgebreid bij Saul in zijn paleis geïntroduceerd wordt. Saul heeft last van donkere gedachten. Hij voelt zich permanent opgejaagd en in het nauw. Misschien dat harpspel verlichting kan brengen. Van die instabiliteit van Saul is in het verhaal van vanmorgen niets te merken. Hij functioneert als opperbevelhebber van het leger van Israël. Hij schat de situatie in en neemt de beslissingen. Hij is helder van geest.

Is het niet mooi dat de bijbel geen moeite doet om de verhalen te presenteren als historische feiten? Dit hoort niet thuis in de onderwijsmethode, die mij als kind rijtjes jaartallen uit mijn hoofd liet leren: 50 jaar voor Christus de Romeinen in ons land, 1600 Slag bij Nieuwpoort. Enzovoort. Gelukkig maar. Anders waren Saul en David vast het zelfde lot beschoren als de graven van Holland. Ik weet er niks meer van. Van Dirk en Floris, van Ada en Jacoba, van Willem en Jan. Namen uit een grijs verleden, terug gestuurd naar de middeleeuwen.

Het zal me worst wezen dat het Elchanan, de zoon van Jari, is geweest, die in het jaar zoveel de reus Goliat velde. Jammer voor hem – het zal vast een grote jongen geweest zijn – , maar voor mij is en blijft het de herdersjongen David, die met zijn slinger een eind maakt aan die levende oorlogsmachine Goliat. Het is en blijft David en Goliat. En alleen dankzij het verhaal zal ik mij Elchanan herinneren. Want dat is de Bijbelse volgorde: eerst het verhaal, dan de feiten. Een beetje link om te zeggen in een tijd waarin bewezen feiten het onderspit delven tegenover pertinente leugens, die als waarheden worden geponeerd. En als zodanig nog geloofd worden ook.

III
Maar Tim is het met me eens. Tim is het broertje van Stijn, die vandaag werd gedoopt. Hij is drie jaar. David en Goliat is zijn favoriete Bijbelverhaal. Een kind kan zich dit verhaal eigen maken. Een kind verdwijnt er niet in. Een kind verschijnt er in. En dat zou wel eens te maken kunnen hebben met de Bijbelse grondlijn waarin de laatsten de eersten worden en God alleen nog maar groot en verheven wil heten omdat hij de kleine groot maakt en de geringe verheft. En dan daarin zo ver gaat dat de Heilige één van hen wordt.

Het is deze lijn, dit verhaal, dat principieel aan alle feiten vooraf dient te gaan. Het geeft een kader aan voor de feiten. Alle denkracht, alle ontdekkingen en de vooruitgang dankzij de wetenschap, dient een doel: dat wat breekbaar is aan het licht mag komen; dat wie geen kant op kan ruimte vindt om te leven. Niet in de laatste plaats hebben we het dan over de aarde zelf, die zucht onder een mensheid die de weg kwijt is en geen verhaal meer heeft. De feiten zijn niet in strijd met de Bijbelse verhalen. Ze hebben een kader nodig, waarin ze alle ruimte krijgen. Wetenschap mag niet aan de vrije markt over gelaten worden. Want het is die vrije markt, die de aarde weerloos maakt en de kloof tussen arm en rijk groter; die leugens als waarheid verkoopt en ‘alternative facts’ predikt.

Het verhaal van David en Goliat blijft actueel. Het is niet van toen. Het is van Tim. Wat een feest dat we er geen jaartal op hebben weten te plakken en het niet hebben weg kunnen zetten in de tijd. En dat Tim niet weet wat een onbesneden Filistijn is en geen idee heeft wat het betekent de gelederen van de levende God te beschimpen, doet helemaal niet ter zake. Tim hoort bij de gelederen van de levende God. Hij is een van de kleinen, wereldwijd, die zichzelf niet kunnen beschermen; die altijd als eerste het onderspit delven als de wapens opgepakt worden.

Tim hoeft het niet te weten. Hij moet kunnen spelen en aan het licht komen in dit verhaal. Wij moeten weten wat een onbesneden Filistijn is. Dat wij dat zelf zijn, waar wij rijk worden van de wapenhandel. En daarmee elders in de wereld conflicten aanjagen en creëren. Het raakt ons toch niet. We staan er ver boven. Wij vervloeken mensen van ver in de naam van onze goden. We denken zomaar dat de God van de Bijbel onze God is. En dat we hem ongestraft aan kunnen roepen, terwijl wij met zevenmijlslaarzen door de wereld banjeren en gewoon doorgaan met het exporteren van oorlogstuig. Tot wij David tegenkomen, die tegen ons zegt: ‘ik daag jou uit in de naam van de HEER van de hemelse machten, de God van de gelederen van Israël, die jij hebt beschimpt.’ (1 Sam. 17, 45)

IV
Dit is het verhaal van Tim. Dit is het verhaal van zijn grote zus Emma Gonzales. Ja, nee, hij heeft thuis geen grote zus. En toch is zij zijn zus. En die van Stijn. En die van Hannah. En die van Hanne. Wij zijn het ouderwets gaan vinden om elkaar aan te spreken als broeders en zusters. Maar dat is wat we zijn van elkaar. Het verhaal van God met de mensen maakt ons tot broers en zussen van elkaar. Het verhaal van David en Goliat is het verhaal van Emma Gonzales en de National Rifle Association, de belangenorganisatie voor vuurwapenbezitters. Herkent u haar nog? Ziet u de treffende gelijkenis met David?

Emma González overleefde het bloedbad op een school in Florida vorig jaar maart, waarbij zeventien jongeren om het leven kwamen toen een negentienjarige jongen om zich heen begon te schieten. Sindsdien zet zij zich nu vol overgave in voor de strijd tegen vuurwapens. Herinnert u zich nog hoe zij daar stond tijdens de wereldwijde demonstratie tegen vuurwapengeweld?

‘Zes minuten en twintig seconden met een AR-15 en mijn vriendin Carmen zou nooit meer tegen me klagen over haar piano-oefeningen…’ Zo begon Emma. Alle zeventien dode scholieren kwamen voorbij in korte verhalen. Ze zouden nooit meer.. Daarna bleef Emma stil tot er zes minuten en twintig seconden voorbij waren; precies zo lang als de schietpartij op haar school geduurd had. Alleen de tranen spraken. De stilte en de tranen waren de vijf ronde stenen uit de rivierbedding, die Emma in haar herderstas stopte. En ik hoor de stem van de verteller na de stilte zeggen: ‘Dan zal iedereen hier beseffen dat de HEER geen zwaard of lans nodig heeft om te overwinnen’ Emma slingerde haar steen en die raakte de wapenlobby frontaal, de president incluis.

V
Zeg eens, gemeente, van wie zijn wij er één? Dat is de vraag, die Saul stelde aan zijn opperbevelhebber Abner over David. ‘Zeg eens, van wie is die jongen een zoon?’ ‘Zo waar u leeft, koning,’ antwoordde Abner, ‘ik weet het niet.’ Hij moest het antwoord schuldig blijven. Geen wonder. In het heetst van de strijd is dat antwoord niet te vinden. Saul en Abner zijn te groot.

Zeg eens, gemeente, van wie zijn wij er één? Ja, Stijn is er een van Janneke en Bastian. Net als Tim. Hannah is er een van Alieke en Marcel. En Janne is er een van Jeske en Klaas Yde. Maar van wie zijn wij er samen één? En dan draaien we het om: Wij zijn er een van deze kinderen. Wij zijn er een van Emma. Wij zijn er een van David. En bovenal een van die Zoon van David in wie we God hebben herkend. Die Ene, die geen zwaard of lans nodig heeft om te overwinnen. Slechts verhalen en mensen, die klein durven zijn.

In de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest. Amen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.