Preek van de Week – 24 november ’19

Maleachi 3, 13 – 21
Lucas 13, 34 – 35

I
Het winkeltje van het buurtpastoraat in een Rotterdamse volkswijk werd veertig jaar geleden door bewoners liefkozend ‘het pastoraatje’ genoemd. Geen mens wist wat het woord ‘pastoraat’ betekende. Maar de bewoners kenden de werkers bij name en ze wisten zich door hen gekend. ‘Het pastoraatje’. Mooi toch?

Vanmorgen gaat het over diaconaat, het tweelingzusje van het pastoraat. Ook zo’n woord waar niemand de betekenis van weet. Ik ga daar nog wel wat over zeggen. Want het is wel handig om te weten waar we als kerk voor staan. Het pastoraat herken je vooral aan de geoefende oren, het diaconaat aan de handjes. Het is een doe-woord. Je hoeft er geen geloofsbelijdenis voor op te kunnen zeggen. Producten verzamelen voor de Voedselbank – ik noem maar iets – doe je met je handen. Enveloppen van instanties open maken met de lam geslagen ontvanger naast je, doe je met je handen. Koffie inschenken en een broodje smeren bij de dagopvang, doe je met je handen. Zou dat niet wat zijn, als Stadjers jouw kerk liefkozend ‘het huis met de handjes’ zouden noemen? Of: het diaconaatje.

II

Diaconaat of diaconie komt in de bijbel voor als werkwoord. Jezus zegt: ‘De mensenzoon is niet gekomen om te worden gediakend, maar om te diakenen en zijn leven te geven als losprijs voor velen.’ (Marc. 10, 45) Diakenen was het werk van de huisbedienden aan de eettafel. Niet iets waar je status aan kon ontlenen. Jezus nam dit werk en deze lage positie als oriëntatiepunt voor zijn basishouding. Denk er nog maar eens goed over na of je hem daarin volgen wilt. Want dan word je er ook zo een. Misschien hangt er in de kerk daarom dat rookgordijn van heiligheid om woorden als ‘dienen’ en ‘geven’. Om het te bewieroken. Om het te upgraden. Om maar niet vergeleken te hoeven worden met schoonmakers of slecht betaalde oproepkrachten in de horeca. De basishouding van Jezus maakt jou namelijk een van hen. Je handjes laten wapperen voor anderen doe je niet omdat je zo christelijk bent en zo hoogstaand, maar omdat je weet dat die ander is als jij. Wie de neus ophaalt voor de shit in andermans leven omdat hij nog nooit de rotzooi in het eigen leven onder ogen durfde te komen, moet aan dat diakenen helemaal niet beginnen.

III
Twee weken geleden bezocht ik de Sint Martinus Vesper in het koor van de Martinikerk. Ik had twee jassen over elkaar aan. Niet omdat het zo koud was. Maar om er een achter te laten bij de brandende paaskaars in het schip van de kerk. Niets bijzonders. Het was tenslotte de gedenkdag van de heilige die zijn soldatenmantel deelde met een naakte bedelaar bij de poort van Amiens. Een mooi stilleven, die stapel jassen rond de paaskaars. De jas, die ik er bij legde, was me veel te groot. ‘Kan echt niet, papa!,’ zeiden m’n meiden, als ik er in liep. Hij was van mijn schoonvader geweest. In meerdere opzichten was het een warme jas

In plaats van dankbaar te zijn, dat ik in de positie ben om mijn tweede jas weg te schenken, bracht het neerleggen van de jas onder de paaskaars mij uit mijn evenwicht. Ik dacht ineens: ‘Die straks de jas aantrekt, dat is mijn broer!’ Niet een dakloze of een klant van de Voedselbank, die ik graag een warme jas gun. Nee, mijn broer. En wil ik dat wel? In een donkere wereld brandt een licht. En in het schijnsel van dat licht worden mensen broers en zussen van elkaar. Licht van Christus! Gemeenschap der heiligen! Ja, het licht dat me opging schokte me. Maar misschien nog wel meer schokte me de gedachte aan al die keren dat ik de woorden als vanzelfsprekend uit mijn mond had laten komen. Mooie geloofstaal, die zich zo gemakkelijk laat rijmen met prettige gevoelens en fijnzinnige gedachtes. Nee, het evangelie is schokkend. Maar het deinst niet terug als ik terug deins. En het wijst me niet af als ik het liefst de jas weer mee zou nemen.

Diaconaat begint niet bij onze bereidheid om te delen. Gelukkig maar, want die bereidheid is helemaal niet zo groot. We spelen van wel. Maar dat is toch meer om te maskeren dat we er helemaal geen zin in hebben. We spelen spelletjes. Of nee, misschien ben ik nu te streng, we spelen het delen ook om te blijven geloven dat het waar is, dat Christus ons licht is en dat alle mensen onze zusters en broeders zijn.

IV
De mensen in Jeruzalem, met wie de profeet Maleachi in gesprek is, spelen geen spelletjes. Ze kúnnen geen zoete koekjes bakken. Want hun leven is er niet naar. Ze spreken harde woorden: ‘Kijk nou, die mooipraters, niemand doet ze wat. Zie hoe ze rijkdom vergaren ten koste van anderen en zich gezegende mensen noemen. Het gaat ze voor de wind. En God laat het zo. Waarom zouden we nog aan God doen?’

En Maleachi zegt dan niet: ‘Ga je mond eens spoelen. Praat eens met wat meer ontzag over God.’ Want ontzag voor God begint niet bij mooie liederen, die lekker weg zingen, of bij een warm gevoel. Het hoort er wel bij, maar dan pas aan het eind. Als antwoord. Nog nauwelijks bekomen van de schrik en de verbazing dat het goed gekomen is. Ondanks jou. Ondanks de kerk. Ontzag voor God begint niet bij de jubel, maar bij de klacht: ‘Zie wat ze doen met mensen! En zie mij: Ik sta er bij en kijk er naar. Dit is mijn wereld. Hoe lang houd ik het nog vol om mijn hoofd niet weg te draaien en mijn hart niet te barricaderen?’ De klacht houdt het geheim heel dat deze wereld Gods wereld is.

Vandaag is het niet alleen de zondag van het diaconaat. Het is ook de laatste zondag van het kerkelijk jaar. Niet een zondag om te zingen: ‘Stil maar, wacht maar, alles wordt nieuw.’ De schrik slaat je om het hart. Het vloekt en knettert. Er zit iets aan te komen en het is dichtbij. ‘Brandend als een oven’ De vlam slaat in de pan. ‘Wie hoogmoedig zijn en zich groot maken ten koste van een ander, zullen dan slechts stoppels zijn die door de hitte van die dag worden verschroeid – zegt de HEER van de hemelse machten.’ Nou, zie daar nog maar eens Onze Lieve Heer van te maken.

V
Daarom gauw door naar het volgende beeld. Niet omdat het iets anders wil zeggen, maar omdat het hetzelfde anders zegt: ‘Huppelend als kalveren die op stal hebben gestaan zullen jullie naar buiten komen.’ Wie het ooit heeft zien gebeuren, vergeet het nooit meer. Na een lange winter gaan de deuren open. De lente breekt in. En de kalveren breken uit in een vreugdedans die ze niet hebben ingestudeerd. Het overkomt ze.

Zoals de zondag van het diaconaat niet begint bij jouw goede gedrag en mijn gulle gift voor de Voedselbank en niet bij onze goede kerkelijke gewoontes, zo heeft de laatste zondag van het kerkelijk jaar op de drempel van Advent onze positieve blik naar de toekomst niet nodig. ‘Christus Koning!,’ heet deze zondag ook wel. Het is een vreugdekreet. Geen slotsom van een dogma. Hij is de deur die open slaat zonder dat je er tegenaan hoefde te beuken. Sterker nog, je wist niet eens dat er een deur was. Hij overkomt je. Dat is ‘Christus Koning!’.

Zoals het licht van de paaskaars brandde in het schemerdonker van de Martinikerk en ik mij met een schok bewust werd dat de ander die mijn jas zou dragen mijn broer is, zo slaan vandaag de deuren open terwijl wij tastten in het duister. ‘Christus Koning!’ Hij was er al die tijd al. Bij ons in het donker. Heel dicht op de klacht. Daar werd het Licht geboren, dat ons nu overkomt. Hoeveel groter blijkt Gods wereld dan het donker dat ons gevangen houdt en waarin wij elkaar gevangen houden. ‘Christus Koning!’, maakt elk mens tot mijn zuster / broeder. Bij hem begint en eindigt alles. De Alfa en de Omega is hij.

Huppelen als kalveren is ons antwoord op de schok. Met een geoefend geloof of doorgewinterde godsdienstigheid heeft het niet te maken. Het is de plotselinge vreugde, die zich van je meester kan maken, als jij de ander herkent als je broer of als je zus, die net nog een wildvreemde voor je was. De gedeelde ervaring, die al het andere tot bijzaak maakt. En het is net alsof  die ervaring van buiten komt. God, wie had dat gedacht?

‘Dan vertrappen jullie die zich groot maken ten koste van een ander,’ zegt Maleachi, ‘op de dag die ik voorbereid zullen zij niet meer zijn dan stof onder jullie voeten – zegt de HEER van de hemelse machten.’  Nee, het went nooit, deze oordeelstaal. Wie zijn wij? Wij zijn die huppelende kalveren, die met een schok wakker werden uit de nachtmerrie waarin we ons ten koste van anderen meenden te moeten handhaven. Wij zijn die huppelende kalveren, die voor eens en voor altijd bevrijd werden van de ziek makende gedachte onze God te moeten plezieren. Dat type godsdienstigheid gaat er aan. Net als de waan dat de mensheid nu eenmaal uit winnaars en verliezers bestaat. Het zijn gedachten als stoppels die verschroeien door de hartstocht van God voor zijn mensen. Het is het stof onder de huppelende voeten van mensen die in elkaar een broer / zus hebben gevonden.

VI
Zal deze kerk blijven bestaan? Niet als monument, maar als kerk? Of is de profetie van Jezus niet alleen op Jeruzalem, maar ook op ons van toepassing? ‘Uw huis wordt aan u overgelaten’ (Ps. 69,26) Kijk, dat we vorig jaar de inzameling voor de Voedselbank vergeten zijn, dat wordt ons denk ik wel vergeven. Het wordt pas een probleem als wij opnieuw de deuren dicht trekken die in Christus open slaan naar jan en alleman; als wij zeggen ‘Van ons! Blijf af!’ en wij Christus niet meer willen herkennen in de wildvreemde ander die mijn zuster / broeder is. Laat dit huis tot in lengte van dagen een kloek zijn, die onder haar vleugels alle kuikens hoedt. Een levend huis met handjes, ten dienste van een wereld die hartstochtelijk verlangt om vernieuwd te worden.

In de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest.

Amen.

One thought to “Preek van de Week – 24 november ’19”

  1. soms heb je even geen geld
        voor nieuwe kleren en schoenen
        voor eten in die laatste week van de maand
        voor sporten in teamverband
        voor een extra verzekering
        voor meedoen aan een schoolexcursie
        voor nieuwe tweedehandse apparaten

    voor sommigen is soms altijd
    om dan maar weg te kruipen in je huis
          uit schaamte
          om de veroordeling in de ogen van die ander
    weg van een maatschappij die vraagt om meer

    ons ongelooflijk rijk Nederland kent voedselbanken
    omdat rijken rijker worden en armen armer
    ten hemel schreiend beleid

    een aanklacht tegen de God die meer dan voldoende geeft

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.