Preek van de Week – 24 mei ’20

Tweegesprek door ds. Tirtsa Liefting en ds. Evert Jan Veldman

Exodus 23, 1 – 17

I
‘Heb je naaste lief. Hij is een mens als jij.’ Het zijn misschien wel de meest bekende woorden van Jezus. Ze reiken verder dan de kerk. Ze zitten in het collectieve geheugen van deze samenleving. Al is het soms diep graven. Maar ze kunnen ook zo maar ineens op grote schaal ter harte worden genomen. Zoals tijdens deze crisis. In de herwaardering van de zorg. In de grote bereidheid om anderen bij te staan, die het zwaar hebben. Je weet niet hoe lang het zal houden. Maar nú is het er. En helemaal verdwijnen uit ons collectieve geheugen zal het niet.

Nog zo een: ‘Heb je vijanden lief, wees goed voor wie jullie haten.’ (Lucas 6, 27) Die woorden van Jezus hebben het collectieve geheugen niet gehaald. Er zitten grenzen aan ruimhartigheid. Al te goed is buurmans gek. Mensen hebben ruimte nodig in hun ziel om anderen te kunnen verdragen, laat staan om goed voor hen te zijn. Ontbreekt die ruimte, dan liggen vijandsbeelden op de loer.

In de kerk buigen we diep voor deze liefde buiten alle proporties. Jezus’ woorden zitten ons op de nek. Wij vragen bij voorbaat vergeving. Het is ons te hoog gegrepen. Liever buigen we ons hoofd en sluiten we onze ogen voor Gods aangezicht, dan dat wij in de ogen kijken van mensen die we niet moeten en die morgen onze vijanden kunnen zijn.

II
En dan is daar die tekst uit Exodus, die me raakt. De hoog gegrepen woorden van naastenliefde en goed zijn voor wie je haten, worden plotsklaps aards en onontkoombaar: ‘Stel, je stuit op de os van je vijand, of zijn ezel, – verdwaald: keer om, laat die naar hem terugkeren! Stel, je ziet de ezel van iemand die jou haat neerliggen onder zijn last, – weerhoud je ervan het aan hem over te laten: afladen en overladen zul je, samen met hem!’ (Ex. 23, 4 en 5). Er gebeuren twee dingen tegelijk. Ik besef: God troont niet boven hoge woorden. God licht op in kleine daden waarin een mens niet ontkomt  aan de ander, die je het liefst uit de weg zou gaan. Dat is het eerste. En het tweede is: Ik ben hier niet degene die bepaalt wie mijn naaste is en wie mijn vijand is. Ik stuit op degene die mij haat en ik kan niet voor hem weglopen.

Alle geboden die we vanmorgen hebben gehoord, gaan terug op de bevrijding uit Egypte, weg uit het Diensthuis waar je niemand was. ‘Je kent de ziel van de zwerver-te-gast, want je bent het zelf geweest’; de Thora herhaalt deze woorden tot in den treure. En nu weet ik weer waar die ezel mij aan moet denken, die bezwijkt onder zijn last; de ezel van de mens, die niets van mij moet hebben. De ezel doet mij denken aan het gebod om de sabbat in ere te houden: ‘Een zestal dagen doe je wat je moet doen, op de zevende dag houd je sabbat, opdat kan rusten: je os en je ezel en bezieling vindt: de zoon van je dienstmaagd, en de zwerver-te-gast.’ (Ex. 23, 12)

De ezel die bezwijkt onder zijn last, is het signaal om aan alles voorbij te gaan dat ons op het eerste gezicht veel groter lijkt: de afkeer van de ander jegens mij. Mijn angst dat hij me te grazen zal nemen. De natuurlijke reactie: ‘Laat hem het zelf uitzoeken!’ De ezel die bezwijkt en dat laten gebeuren, dat is Egypte! Vanuit jezelf denken en je liefde beperken tot je binnenste kring, dat is Egypte! God zoeken in een hoge moraal, ver verheven boven het alledaagse, dat is Egypte! Denken dat die ezel maar een ezel is, in plaats van een schepsel van de Eeuwige – net als jij, dat is Egypte!

Tirtsa, waar vind jij in de lezing van vanmorgen de bezieling om Egypte achter ons te kunnen laten en op weg te gaan?

III  
Vreemd genoeg, misschien juist wel in die continue herinnering aan Egypte. Er staat: ‘Vreemdelingen mag je niet uitbuiten. Jullie weten immers hoe het voelt om vreemdeling te zijn, omdat jullie zelf vreemdelingen zijn geweest in Egypte.’

Telkens opnieuw klinkt die oproep aan het volk, om zich dit weer te binnen te brengen. Niet om wrok te koesteren, maar als herinnering aan het feit dat ze zich nooit onder noch boven de ander kunnen plaatsen, omdat ze ten diepste gelijk zijn.  ‘Je weet immers hoe het voelt’, lazen we. Maar in het Hebreeuws staat er zelfs zoiets als ‘Je kent het hart, de ziel of het innerlijk van de vreemdeling’. Zijn machteloosheid en kwetsbaarheid.

Dat soort ervaringen in herinnering brengen is niet makkelijk, vaak zelfs pijnlijk of confronterend. Moeilijke ervaringen en pijnlijke herinneringen willen we meestal graag zo snel en ver mogelijk achter ons laten, er niet te veel bij stil staan, maar doorgaan.

En geldt niet hetzelfde voor onze gebrokenheid? De gebrokenheid of kwetsbaarheid die we ervaren in ziekte of rouw, maar ook in het gevoel niet gezien of niet gewaardeerd te worden. Confronterend kan het zijn om dat gevoel onder ogen te komen en daarbij stil te staan.

Maar toch, ergens hoor ik in die oproep God ook zeggen: ‘dat is juist waar je mij vindt’. Ik ben de God die bevrijdt, die luistert en omziet naar de vreemdeling, de verstotene en de gebrokene. Maar dat niet alleen, dit is ook de plek waar je de ander vindt. Want vanuit onze eigen herinnering aan en de ervaring van gebrokenheid en kwetsbaarheid, herkennen we de ander in zijn of haar kwetsbaarheid. Daar weten we ons verbonden met en afhankelijk van elkaar. Daar ontstaat de mogelijkheid om te delen en te geven.

IV
Ik moet denken aan die andere oproep om te blijven herinneren. Jezus die tijdens de Pesachmaaltijd – hét moment waarop de bevrijding uit Egypte werd herinnerd en gevierd – het brood breekt, het uitdeelt en zegt: ‘dit is mijn lichaam dat voor jullie gegeven wordt. Doe dit telkens opnieuw, om mij te gedenken’.

De Bijbel is blijkbaar geen boek waar alleen maar romantische succesverhalen worden gedeeld en herinnerd, nee, het herinnert ons aan de Gekruisigde, in wie Gods oog en oor voor de buitenstaanders, de gekwetste, de armen en de zieken meer dan ooit zichtbaar werd. Omdat Hij er midden in kwam en die gebrokenheid en kwetsbaarheid van binnenuit kent.

‘Dit is mijn lichaam gebroken voor jullie’. Jezus brak het brood én hij deelde het. Zo vinden we in Zijn gebrokenheid gemeenschap met hem. En hoewel op dit moment anders, is het dat waar we in de kerk voortdurend aan herinnerd worden en elkaar aan herinneren wanneer we het brood breken en delen.  En misschien nodigt dat gebroken brood ons uit om ook anders te kijken naar onze eigen gebrokenheid – hoe moeilijk dat ook kan zijn. Niet slechts als een tekortkoming, maar als de plek waar we één zijn met Christus én de ander. Leven in relatie met God én de ander is mogelijk wanneer we leven in kwetsbaarheid, nederigheid, eerlijkheid en vrijgevigheid. Wanneer we echt durven zijn – open en eerlijk naar de ander over onze eigen gebrokenheid. Wanneer ons hart durven open te breken, dan wordt Christus en Zijn kracht zichtbaar in ons.

Dan gaan we de ander herkennen. Want wanneer we onze eigen imperfectie en gebrokenheid durven laten zien, verlenen we de moed aan anderen om hetzelfde te doen. Zo ontstaat vanuit de gebrokenheid ruimte voor vrijgevigheid en relatie.  Dat kan omdat Christus hetzelfde deed, hij brak en gaf. Omdat God vanaf Exodus tot Golgotha, vanaf Genesis tot nu laat zien dat Hij onze gebrokenheid kent en dat het een vol leven niet in de weg hoeft te staan, maar misschien juist wel mogelijk maakt, omdat het ons verbindt aan hem en aan de ander.

V
Het blijft gek om dat volle leven te vieren in een lege kerk. En dat zal blijven, ook als we vóór de zomer mondjesmaat en onder voorbehoud van hygiëneregels en anderhalve meter afstand van elkaar weer hier mogen zijn. Wij zijn vandaag als het graan dat als zaaigoed verstrooid ligt over de velden. We verlangen ernaar om hier weer samen gebracht te worden en brood voor elkaar en voor de wereld te kunnen zijn. Zoals het wordt gebeden in de liturgie van het avondmaal: ‘Breng zo uw gemeente bijeen van heinde en ver in het rijk van uw vrede.’ Hoe gek het ook klinkt, al die lege plekken hier vóór ons, verbinden ons met elkaar in een en het zelfde verlangen om hier te zijn. Verlangen dat pijn doet. En tegelijk zijn al die lege plekken een uitnodiging  aan jan en alleman om deze ruimte in te nemen als het weer mag. Samen met jou en met mij. En niemand die dan meer tegen hen zal zeggen: ‘Je zit op mijn plek. Hier zit ik altijd.’ Want ‘altijd’ bestaat niet meer sinds we ontregeld zijn geraakt. En vaste plekken hebben we achter ons gelaten in Egypte. Eén in Christus heet dat.

One thought to “Preek van de Week – 24 mei ’20”

  1. Genesis en Exodus verbonden in elk leven
    het mooie ligt al voor ons klaar
    tot in de puntjes voor ons gemaakt
    we hoeven het alleen nog maar te pakken

    … alleen nog maar …
    … maar … maar …

    de schade die wij hebben opgelopen
    de pijn ons aangedaan
    de grenzen die zijn overschreden
    gebrokenheid die ons leven binnensluipt
    wat uitzicht blijft er dan nog over

    misschien bij brood en wijn
    in ’t samenzijn
    waar troost en liefde wordt beleefd

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.