Skip to main content

Preek van de week – 24 juli

Psalm 37 (Huub Oosterhuis)
Matteüs 11: 28 – 29
Matteüs 5: 5

I
‘Zalig de zachtmoedigen, omdat zij de aarde zullen beërven,’ zegt Jezus op de berg tegen zijn leerlingen en tegen de mensenmassa die zich om hen heen verzameld heeft. Alvast gefeliciteerd! Zachtmoedig klinkt als goedmoedig. En dat doet weer denken aan een Joris Goedbloed. Een goedzak, zal ik maar zeggen. Hoe blij moet je zijn als ze jou een zachtmoedig mens noemen? Het is een twijfelachtige eer. Jezus zegt elders in het evangelie tegen eenvoudige mensen dat hij zachtmoedig is. Van hem hebben ze niets te duchten. Bij hem zijn ze veilig. Dat is tenminste wat. Je bent in goed gezelschap als mensen je zachtmoedig vinden. Maar als je dan bedenkt hoe Jezus aan zijn einde kwam, hoe hij zijn mond niet open deed tegenover zijn beulen, hoe hij was als een schaap dat naar de slacht gaat, dan zeg je toch: ‘Daar win je de wereld niet mee!’

Twintig jaar geleden kwam er een boek uit met adviezen voor vrouwen om zich assertiever en zelfbewuster op te stellen. Het had als pakkende titel: ‘Brave meisjes komen in de hemel, brutale overal’. Met als ondertitel: ‘Waarom lief zijn vrouwen geen stap verder brengt’. Nou is zachtmoedig misschien niet het zelfde als lief. Maar het komt voor ons gevoel in de richting, toch? Jezus feliciteert de zachtmoedigen. ‘Zij zullen de aarde beërven,’ zegt Jezus. Nou, daar is tot nu toe weinig van te merken. De trend is een andere. Wie niet van zich af leert bijten, kan het schudden. Met zachtmoedigheid kom je misschien in de hemel, de wereld zal je er niet mee winnen.

Het lijkt ook wel of dit soort woorden alleen nog in de kerk gebezigd worden. Zachtmoedig is geen woord dat je op straat zult horen. En in het managementjargon komt het ook niet voorbij. U bent een beetje wereldvreemd, weet u. En omdat kerkmensen dat niet willen zijn, doen ze net alsof ze gewoon zijn. Als het moet, vechten ze elkaar in de kerk de tent uit, even vilein als in de gewone wereld gebeurt. Misschien voelen kerkmensen zich daar net iets meer schuldig over, omdat ze permanent lastig gevallen worden door woorden uit het evangelie zoals zachtmoedig en barmhartig, en laatsten die de eersten zullen zijn. Dat we de aarde zullen beërven als we ons maar zachtmoedig opstellen, dat hebben we nooit geloofd. De hemel, dat wel. En dat is ook niet niks. Maar de aarde?

II
Kun je het aanleren om zachtmoedig te zijn? Ik herinner me een kinderliedje van vroeger. Dat begon zo: ‘Ik wens te zijn als Jezus, zo need’rig en zo goed. Zijn woorden waren vriend’lijk. Zijn stem was altijd zoet.’ Ik heb het vast met een vertederende overtuiging gezongen – zolang het liedje duurde. Maar zachtmoediger ben ik er niet van geworden. Of zou zachtmoedigheid toch vooral een karaktertrek zijn? Sommige mensen zijn gewoon goeierds. Dat merk je direct. Bij anderen moet je weer veel geduld hebben voor een zekere zachtheid zich aan je toont. En een enkeling heeft het helemaal niet in huis. Het knopje zit er gewoon niet op. ‘De grote bekken die zich nergens iets van aantrekken,’ schrijft Karel Eykman. De grote bekken waar geen klein hartje achter zit.

Over het laatste is de bijbel duidelijk: zachtmoedigheid is geen aangeboren eigenschap. Natuurlijk waren er in die tijd ook goeierds die dat van hun opa of oma hadden geërfd. Ook toen al viel de appel niet ver van de boom. In de bijbel is zachtmoedigheid iets anders dan goeiigheid. Zachtmoedigheid is meer verbonden met de maatschappelijke positie dan met de genen. Dat klinkt ons raar in de oren. Als het dan geen karaktertrek is, dan toch minstens een deugd waarin iedereen zich kan oefenen, ongeacht maatschappelijke status. Ja, misschien. Dat valt nog te bezien. Eerst moeten we iets zeggen over die maatschappelijke positie.

Vorige week hebben we in de eerste dienst in deze serie uitgebreid stilgestaan bij de mensenmassa. Dat bleek geen neutrale term in het evangelie. Het ging om mensen die niets meer te verliezen hadden; die, losgeslagen van hun ankers, dan weer hier en dan weer daar, in de massa probeerden te overleven, werk te vinden voor één dag. Tegen hen richt Jezus zich. Ook als hij vandaag over de zachtmoedigen spreekt, hen feliciteert, omdat zij de aarde zullen beërven. Je bent geneigd om dan deugdzame mensen voor je te zien. Maar wat je ziet zijn mensen bij wie je het gezicht afwendt.

Het woord zachtmoedig zet ons op het verkeerde been. Niet dat het slecht vertaald is. Vooral dat zachte zit er zeker in. Alleen is het een andere zachtheid dan die van jonge zeehondjes. Het is de zachtheid die zich niet kan verdedigen. En niemand die het voor hen opneemt. Het is de zachtheid die geen enkel potje weet te breken in politiek of kerk. Weerloos zijn ze, de zachtmoedigen. Ze kiezen er niet voor. Ze zijn het. Nog een klap en ze zijn van het toneel verdwenen, wat God moge verhoeden. Precies daarover gaat het in de bijbel: over de schreeuw ‘God verhoede het!’ en over het wonder dat er Een is die hoort en die afdaalt.

Even later op de berg zal Jezus zeggen: ‘Jullie hebben gehoord dat gezegd werd: “Een oog voor een oog en een tand voor een tand.” En ik zeg jullie je niet te verzetten tegen wie kwaad doet, maar wie je op de rechterwang slaat, ook de linkerwang toe te keren.’ (Mat. 5:39) We hebben dat doorgaans verstaan als een oproep aan ons adres om zachtmoedig te zijn. En ook als te veel van het goede voor gewone mensen. Een reden om Jezus op een voetstuk te zetten en onszelf te beklagen vanwege onze tekortkomingen. Maar dat Jezus zijn woorden richt tegen wie al weerloos zijn, dat is ons ontgaan. Dat het geen les is in een hoge moraal, maar een belofte dat niemand nog in staat zal zijn hen te vernederen omdat zij de aarde zullen beërven, dat heeft de kerk er nooit in gelezen. De andere wang toekeren was niet te veel van het goede, maar een manier om te tonen dat niemand hen nog hun waardigheid kon ontnemen. ‘Sla me maar. Je krijgt me niet meer weg.’

Zachtmoedigheid is dus geen religieus kunstje voor gearriveerde gelovigen. Het maakt je geen beter mens. Het brengt je niet dichter bij God. Kun je het leren? Misschien. Vraag het aan die mensen, van wie je het liefst je gezicht afwendt. Wie zich bewust is van zijn totale weerloosheid, kan het misschien leren. Vóór alles heeft zachtmoedigheid te maken met het geloof dat God naar jou is afgedaald, weerloos geworden is als jij en tot in eeuwigheid niet meer van je zijde wijken zal. Zachtmoedigheid brengt je niet dichter bij God. Het is andersom: omdat God dicht bij jou gekomen is en altijd weer blijft komen, ontstaat er de ruimte om zachtmoedig te zijn.

III
Het woord dat wij vertalen met zachtmoedig, wortelt in het Oude Testament. Daar wordt helemaal helder hoezeer het met maatschappelijke positie te maken heeft. In Psalm 72:2 wordt het grondwoord vertaald met ‘het arme volk’. In Deuteronomium 15:11 met ‘die er slecht aan toe zijn’. In Spreuken 31:20 met ‘behoeftigen’. In Psalm 10:2 met ‘zwakke’ en in vers 9 met ‘prooi’. In Jesaja 49:13 met ‘armen’. Ziet hoe ver we hier vandaan zijn van zachtmoedigheid als moreel hoogstandje? Nu hoeven we het woord nederig uit Psalm 37:11 ook niet meer mis te verstaan: ‘Wie nederig zijn, zullen het land bezitten en gelukkig leven in overvloed en vrede.’  Het zijn de mensen aan de onderkant die hun breekbaarheid bij God in bewaring geven.  In de berijmde psalm heet dat ootmoed: ‘Verlustig u, mijn ziel, in grote vrede. Uw ootmoed erft het land door Gods gezag.’ Het is deze psalm die Jezus helpt om woorden te vinden wanneer hij zegt: ‘Zalig de zachtmoedigen, omdat zij de aarde zullen beërven.’ Alvast gefeliciteerd!

Zachtmoedigen spugen hun beulen niet in het gezicht. Niet omdat het niet hoort. Het zou een passende reactie zijn op het onrecht hen aangedaan. Maar ze doen het niet omdat ze wachten op God die hen gekroond heeft tot zijn erfgenamen. Zachtmoedigen schelden hun koppelbazen niet uit als laatste daad van verzet. Ze zijn stil. Niet mak maar stil. Ze wachten op God. En van die stilte gaat een oneindig grotere dreiging uit dan van een spervuur van schelden. Er hangt verandering in de lucht. Er klopt een hart dat Ploert en Schender zal ontwapenen. ‘Stilte voor Hem. Verwacht Hem, Hij zal komen,’ schrijft Huub Oosterhuis. Die terugkerende woorden zijn voor hem het gebinte van Psalm 37.

IV
‘Kom naar mij, jullie die vermoeid zijn en onder lasten gebukt gaan, dan zal ik jullie rust geven,’ zegt Jezus tegen de eenvoudigen. Ook weer zo’n woord dat in de kerk tot misverstanden heeft geleid: eenvoudigen. Niks vragen. Elke vraag van een ander afweren met ‘Dat moet je gewoon geloven’. En voor dat soort luiheid je nog op de borst kloppen ook. Maar dat zijn niet de eenvoudigen uit het evangelie. De eenvoudigen zijn als de zachtmoedigen, de nederigen, de ootmoedigen: de mensen aan de onderkant die hun breekbaarheid bij maar een in bewaring kunnen geven en dat is God de Ene. Daarom heten ze eenvoudigen.

‘Kom naar mij, jullie die vermoeid zijn en onder lasten gebukt gaan, dan zal ik jullie rust geven,’ zegt Jezus tegen hen. Daar is hij dan die zij in stilte hebben verwacht. Daar is Hij dan, die komen zou. En hij ziet er niet uit. Hij ziet er niet uit als de goden van Ploert en Schender. Hij ziet er uit als een van hen: ‘Neem mijn juk op je en leer van mij, want ik ben zachtmoedig en nederig van hart. Dan zullen jullie werkelijk rust vinden, want mijn juk is zacht en mijn last is licht.’

Daar is hij dan, de Heer van de kerk. Hij die is, die was en die steeds opnieuw komen zal. De vraag is of wij hem nog herkennen. Voor wijzen en verstandigen blijft hij verborgen, zegt het evangelie. Eenvoudigen zullen hem herkennen. Een kerk die hartstochtelijk naar God zoekt, maar dat doet met de rug naar het volk aan de onderkant, blijft dwalen. Hoe vaak klagen we niet dat God ver te zoeken is? Terwijl hij is en was en steeds opnieuw komen zal. Bij hem is rust. Dit is de plek om dat toe te laten en te vieren, om het te horen en te zingen en er stil van te worden. Liturgie vieren doe je niet met de rug naar de wereld. Dat gaat gewoon niet. En het hoeft ook niet. Want hij kan het hebben. Elke schreeuw om de nood van de wereld mag hier klinken en bij God in bewaring worden gegeven. En hier mag het verkeren in rust.

Het wordt nog gekker: waar zo de liturgie gevierd wordt, daar wordt de gemeente zelf het Lichaam van Christus. Daar wordt de gemeente zelf gestalte van hem die is, die was en die komen zal. Daar draait zij zich om naar de wereld en zegt: Kom maar! Hoe moe je ook bent. Hoe kapot je ook zit. We zien er misschien niet uit, maar: Kom maar! Hier is het juk zacht en wordt de last licht. Hier is een rust die niemand ons nog af kan pakken!

In de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest. Amen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *