Skip to main content

Preek van de Week 1e Advent – Zondag 3 december ’17

Jesaja 40, 1 – 11
Matteüs 21, 1 – 9

I
‘Troost, troost mijn volk (gemeente), zegt uw God.’ (Jes. 40 vers 1) Dat is een opdracht. Doe het! Troost mijn gemeente! Maar wie zijn dat dan? Wie is die gemeente van God? Bent u dat? En wie moet u dan troosten? Moet ik dat hier doen als dienaar van het Woord?

God, mag het misschien een onsje minder zijn? Het voelt een beetje ongemakkelijk. Dit gaat toch niet in de eerste plaats over ons. Hoe hard de banken in de Nieuwe Kerk ook zijn, we zitten er heel wat comfortabeler bij dan Jesaja en zijn tijdgenoten. Het zijn ballingen in Babel. Thuis is er niet meer. Jeruzalem staat voor thuis. Maar de stad ligt in puin. Onder de voet gelopen. Na al die jaren kunnen het er nog steeds niet met droge ogen over hebben. ‘Heel de dag weent zij, de eens zo levendige stad. Ontstellend diep is zij gezonken, er is niemand die haar troost. Sion strekt haar handen uit, maar er is niemand die haar troost. Hoor toch hoe ik zucht, er is niemand die mij troost.’ (Klaagliederen 1: 2, 9, 17, 22) – zomaar een paar fragmenten uit de Klaagliederen over Jeruzalem.

Het gaat hier toch over het Godsvolk Israël en niet over ons? Het gaat toch over toen en niet over nu? En als we dan toch willen actualiseren en lering willen trekken uit de profetenlezing voor deze zondag, dan denk je toch aan de kapotgeschoten steden in Syrië en Irak en aan het getraumatiseerde volk in de vluchtelingenkampen? Ze hebben meer gemeen met de Joodse ballingen in Babel dan met ons hier in de Nieuwe Kerk, toch?

II
Op het eerste gezicht lijkt dat zeker zo te zijn. En als we er beter naar gekeken hebben, is dat misschien nog steeds zo. Alleen, we spelen hier toch geen spelletje als we ons gemeente van Christus laten noemen of volk van God onderweg? We verbazen ons er toch nog wekelijks over hoe wij als een soort zijinstromers toegevoegd zijn aan de gemeente van Israël? We zitten hier toch niet een beetje christelijk te zijn? We zullen nooit meer vrij zijn van die ballingen. Het zijn onze broers en zussen. We zijn één gemeente.

Als dat zo is, (en zo is het, hoe ongemakkelijk dat ook voelt) dan is het mijn roeping om u te troosten: ‘Troost, troost mijn volk (gemeente), zegt uw God.’ Maar waarmee dan? Alsof het niet troostend genoeg is om hier samen te kunnen komen in deze prachtige entourage. Met al die goedwillende mensen om ons heen, die zich ook zorgen maken over de verhoudingen in de wereld. Om daar nog overheen te gaan met ‘Het komt wel goed met jou, met mij, met heel de wereld!’, dat voelt ook een beetje als verraad aan wie vandaag geen kant op kunnen.

Dat is een troost die net iets te veel gekleurd is door de mazzel die we hebben, dat we aan deze kant van de aarde wonen. En is er in dat geval niet een God aan het woord die samen met ons hier zijn voeten droog houdt? De Nieuwe Kerk is dan wel niet de hemel, maar ze komt er dicht bij in de buurt als je het vergelijkt met de getto’s waar de ballingen in Babel wonen of met de zee van tenten in Libanon, waarin de vluchtelingen uit Syrië zijn gehuisvest.

‘Troost, troost mijn volk (gemeente), zegt uw God.’ Lieve mensen, u vormt één gemeente met de ballingen in Babel en met de vluchtelingen in de kampen. Niet omdat uw hart zo groot is, maar omdat het in het DNA van de kerk zit. Dat we ons ook daar ongemakkelijk bij voelen, is niet het probleem. God weet wel raad met ons ongemak. Sterker nog, daar wil hij wonen. Daar wil hij God zijn. Waar het mis gaat is waar de kerk God laat tronen op schoonheid en goedheid en onaantastbaarheid. Ons probleem is niet ons ongemak. Ons probleem is het gemak, waarmee we onze identiteit zoeken aan de goede kant van de streep. Daar waar de verworvenheden liggen opgehoopt. Maar dat is niet wie we zijn. We zijn van Christus. En daarom zijn de ballingen in Babel en de vluchtelingen in de kampen onze broers en zussen. Weet u daar geen raad mee? Geen nood! Voelt u zich er elke dag schuldig over? Het wordt van u afgenomen! Maar ga geen hemeltje bouwen met alles erop en eraan op dit verkieslijke plekje op deze aardkloot. God laat zich er niet vangen. Ons ongemak is zijn hemel. Het vluchtelingenkamp is zijn tempel. En uit de ontroostbaarheid van Jeruzalem wordt de liturgie geboren.

III
‘Een stem die zegt ‘roep!’, en ik zeg ‘wát zal ik roepen?’- alle vlees is gras en al zijn glorie als een bloem op het veld: verdorren zal gras, verwelken een bloem wanneer de adem van de Ene erover heeft gewaaid; voorwaar, gras is de gemeente!’ (Jes. 40 vers 7) Er is een stem, die ‘Troost!’ roept. En er is een stem, die zegt: ‘Hoezo? Kijk dan hoe het er voor staat! We gaan voorbij. We raken achter adem. Elke dag weer.’ Is die eerste stem, die oproept om te troosten, de stem van God? En is die tegenstem dan van wie niet in God geloven kan of niet meer wil? Nee, beide stemmen zijn de stemmen van Gods gemeente. Zonder die tegenstem – God nog aan toe! Kijk hoe we verdorren! Zie hoe we verwelken! – wordt de troost een doekje voor andermans bloeden. Het is de tegenstem die opklinkt uit de kampen. Het is de tegenstem die tot klaaglied wordt tussen de ballingen in Babel. Het is de tegenstem die ons ongemak verwoordt over de scheidslijnen in de wereld tussen kansarmen en kansrijken, tussen bezitters en bezitslozen. Het is de tegenstem van Gods gemeente, wakker geroepen door een woord dat werkelijk nergens op lijkt te slaan: ‘Troost, troost mijn volk (gemeente), zegt uw God.’

Het antwoord op de tegenstem, op het protest, is niet een ‘ja, maar’ dat uit de hoogte klinkt. Het is een woord dat uit de diepte opklinkt, net als het klaaglied. Het is een woord dat niet wegkijkt bij de trauma’s en bij de harde realiteit. Maar dat het optilt tot grote hoogte: ‘verdorren zal gras, verwelken een bloem,- maar het woord van onze God houdt stand in eeuwigheid!’ (Jesaja 40 vers 8)

Er zijn hier mensen die dit aan den lijve ervaren. Ze worden elke dag bepaald bij het verwelken van de bloem die ze zelf zijn, of bij het verdorren van het gras in een geliefde. En toch is er die vreugde die in de gemeente van Christus gevonden wordt, een woord boven alles uit: ‘Ja, ik ben gras en ik verga. So what? Er is een woord dat mij omgeeft van achteren en van voren, dat onder mij is en boven mij. Een woord waarin ik pas en heel de wereld met mij. Al het ongemak wordt van mij afgenomen omdat ik God naast mij weet. Wie doet mij wat? Zelfs in mijn pijn en mijn gemis is hij te vinden. De enige reden om liturgie te vieren met de grootste schoonheid die deze kerk te bieden heeft, is dit grote geheim: in mijn pijn en mijn gemis wil God bij mij zijn! Hij zal mij verder dragen dan mijn benen mij kunnen dragen. ‘verdorren zal gras, verwelken een bloem,- maar het woord van onze God houdt stand in eeuwigheid!’

IV
Hoe gaat dat verder dragen dan? Wat betekent het dat het woord van God stand houdt in eeuwigheid? Wordt hier toch weer de Alleskunner binnen gesmokkeld? Weliswaar een vriendelijke, die de schaduw wil zijn aan mijn rechterhand. Maar die natuurlijk veel meer kan dan dat. Die het afgemaaide gras weer kan laten groenen? Die de verwelkte bloem weer kan laten bloeien alsof ze net uit de knop komt? Zo’n God? O, we zijn er zo goed in om die Alleskunner weer binnen te smokkelen in de troost die we te bieden hebben.
En dat is toch ook helemaal niet gek? Jesaja biedt ons daarvoor toch alle ruimte als hij zegt: ‘zie, mijn Heer, de Ene, zal komen in sterkte en zijn arm zal zijn heerschappij voeren; zie, zijn loon heeft hij bij zich, zijn werk gaat voor zijn aanschijn uit.’ (Jes. 40 vers 10) Ik weet nog goed hoe ik mijn dochtertje Nina van school haalde. Ze zat in groep 1 of 2. Hoe ze het liedje voor me zong dat ze die dag geleerd had: ‘Mijn God is zo sterk, zo groot en zo machtig, er is niets dat mijn God niet kan doen!’ En hoe ze zichtbaar genoot van mijn verbouwereerde blik. Is dat niet een op een wat Jesaja zegt?

Maar het enige dat hier klopt is dat huppelende meisje in een Rotterdamse achterstandswijk. Niet dat liedje. Niet die God. O ja, hij is groot. Maar zo anders dan wij bij een God denken. Vandaar die parallelle tekst waarin Jesaja het geheim van deze God verklapt. ‘Als een herder weidt hij zijn kudde, met zijn arm vergadert hij lammeren, in zijn boezem draagt hij hen,- zogenden geleidt hij.’ (Jes. 40 vers 11) Dat is de sterkte waarmee hij komt: als een herder met zijn schapen. Dat is de macht van zijn arm: dat hij daarmee de lammeren vergaart. Niet eens in staat om naar zijn slinger te grijpen, laat staan dat hij kan bliksemen. Hij heeft zijn handen vol aan de lammeren. En het werk dat voor zijn aanschijn uitgaat, dat werk zijn wij. Dat werk zijn de ballingen in Babel. Dat werk zijn de vluchtelingen in de kampen. Zij en wij samen vormen het loon dat voor hem uitgaat. Samen zijn wij de vreugde en het tegoed van zijn schepping.

Dat is geen vreugde die de klacht overrulet. Altijd blijft het lachen door de tranen heen. Zoals op die dag dat Jezus op de ezel klimt om Jeruzalem te begroeten. Een feest, om te janken zo mooi. Kijk, die schare als een kudde voor hem uitgaan! Genezen van het geloof in de Krachtpatser God. Alleen daarvoor moet de kerk al blijven bestaan: om deze geschiedenis lang de wereld te genezen van het geloof in de Krachtpatser God, om het beeld van die God te blijven verstoren met die koning op een ezel, die niemand anders is dan die Herder God die wij verwachten.

In de Naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest. Amen

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *