Preek van de Week – 17 november ’19 door ds. Marga Baas

Lezing: Psalm 139
een lied, een gedicht van grote vertrouwelijkheid.
Er is een gesprek gaande, een intieme dialoog tussen ik en de ander, ik en Gij/Jij.
Wie is de ‘’ik’’ die hier spreekt?
Wie is de ander die wordt aangesproken?

De psalm laat zich lezen als een poging om te verwoorden wie die ander is –Zo ver weg en zo nabij.
Iemand die mij kent, iemand die mij liefheeft en vasthoudt,
waar ik ook ga en sta.
Je kunt dezelfde psalmwoorden ook lezen als het zoeken naar een antwoord op de vraag naar de eigen identiteit.
Wie ben ik eigenlijk?
Wie zou ik zijn, als ik niet werd bemind, als er niemand zou zijn die mij bij mijn naam kent?

We hoorden de vertaling van Huub Oosterhuis.
Hij schreef daarnaast nog een vrije bewerking, jaren geleden bij de geboorte van zijn dochter Trijntje.
Door haar zijn de woorden bekend geworden.
“Ken je mij, wie ben ik dan?
Weet jij mij beter dan ik?”
Zo verwoord wordt de eeuwenoude psalm een moderne tekst, open voor velerlei interpretaties.
Wie is die ander?
Gaat het om een dochter en haar vader?
Om twee geliefden misschien?

Wie kent mij?
Wie ziet mij zoals ik ben?
Hier spreekt het diepe verlangen om niet eenzaam, maar tweezaam te zijn.

We kunnen ons eigen gezicht niet werkelijk zien.
We kunnen in de spiegel kijken, naar een selfie.
Maar dat is anders dan een levende ontmoeting van aangezicht tot aangezicht.
Wij worden onszelf door de liefde van een ander.

“Gij, Gij peilt mijn hart, Gij doorgrondt mij.
”Uit het vervolg van de psalm wordt duidelijk dat de dichter God als de ander aanspreekt, de Verre en Nabije uit wie wij voortkomen en die ons beter kent dan wij onszelf kennen.
Maar wat het betekent om zo te worden liefgehad, ervaren we in de ontmoeting met een mens, met iemand die onverwacht onze weg kruist of met wie we, voor korte of lange tijd, ons leven delen.

Mensen zijn, aldus het Bijbelse scheppingsverhaal, op liefde gebouwd, op de relatie met de ander.
Als Adam, de pas tot leven gewekte mens, de wereld om hem heen begint te ontdekken, ervaart hij uiteindelijk diepe eenzaamheid.

Hij geeft de dieren en de dingen hun naam.
Maar wie geeft hem antwoord op zijn roepen?
Wie spreekt hem aan bij zijn eigen naam?
“Het is niet goed dat de mens alleen is”, zo klinkt het dan.
Maar hoe komt de Eeuwige de mens tot hulp?
Door voor de mens een ander te scheppen, een hulp tegenover hem –
een mens van vlees en bloed, zo werkelijk als degene die nu naast ons zit, zo werkelijk als een vader of moeder, een vriend of vriendin:iemand die mij ziet, zoals ik ben; iemand die mij zegt wie ik ben; iemand in wie God naar mij toekomt en in wie hij mij wil aanspreken, helpen, aanraken.

Kort geleden schreef de filosofe Welmoed Vlieger in haar column in Trouw over haar vader, die als predikant o.a. in Jorwerd had gestaan.
Haar vader was een liefhebber van Camus en verwees in een van zijn preken naar een toneelstuk van de Franse schrijver, getiteld “Le Malentendu”.
Zij citeert uit die preek:
“Het misverstand. Voor Camus heeft dit gegeven een diepere betekenis. Hij zegt: zoals het hier gaat, zo gaat het altijd. Mensen begrijpen elkaar niet. Ze proberen contact te maken, maar dat mislukt. Ze leven bij elkaar langs. Er hoeft maar een velossend woord te worden gesproken. Maar dat wordt niet gezegd”

Mensen leven bij elkaar langs. Ook in deze stad.
Voorbeelden te over.
In 2018 waren er in Groningen 38 gemeentelijke uitvaarten.
Om wie gaat het?
Verslaafden.  Daklozen. Psychisch verwarde mensen.
Studenten, jongeren uit het buitenland die hier komen studeren, maar geen aansluiting vinden bij anderen en een einde aan hun leven maken.
Doodeenzaam.
Soms komt pas maanden na de uitvaart aan het licht wie hun naaste verwanten zijn.
Maar ook:
mensen die op of onder de armoedegrens leven,  niet goed verzekerd zijn, niet kunnen terugvallen op familie en vrienden die de uitvaartkosten betalen.
Het zijn cijfers en feiten die ons pijnlijk confronteren met de wonden in onze wereld

en met ons eigen onvermogen en falen om een samenleving in te richten

die de naam van samenleving werkelijk verdient.

“Beklim ik de hemel, daar zijt Gij.

Daal ik af in de aarde, in het dodenrijk, daar vind ik U ook.”

De psalm bezingt een liefde die zo sterk is dat zij geen halt houdt bij de dood;

Een liefde die mij vergezelt tot in de diepte van de godverlatenheid, tot in het donker van de dood.

Bestaat het, zo’n krachtige durende liefde?

Er is iemand die deze liefde heeft geleefd.

Zij is herkend in die ene, van wie zijn omgeving getuigde:

Dit is degene die daadwerkelijk belichaamt dat wij mensen bedoeld zijn als hulp voor elkaar, dit is de mens naar Gods hart, de nieuwe Adam, de mens voor anderen – helpend en helend middenin alle gebrokenheid en pijn.

In het licht van die liefde blijven we volhouden, dat geen enkel leven tevergeefs en vruchteloos is, zonder betekenis en zin.

Deze liefde blijft vragen en zoeken, zij verzoent en verbindt – tot over de grenzen van de dood.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.