Preek van de Week – 17 juli 2016

Jesaja 61: 1 – 9
Matteüs 5: 1 – 4

I
Ongemakkelijk. Dat is het gevoel dat je bekruipt bij het zien van de scharen. De scharen zijn nou niet bepaald de nationale trots. Veel van wat niet deugt aan een samenleving, komt bij de scharen aan het licht. Wie doorgaans roept dat er hier geen echte armoede bestaat, die valt stil als hij de scharen ziet. Wie vindt dat zelfredzaamheid het hoogste goed is en dat iedereen het met een beetje goede wil kan leren, die zakt de moed in de schoenen bij het zien van de scharen. Ik hoor nog mijn schoonvader mompelen, half in zichzelf. We wandelden over een braderie in een Rotterdamse volkswijk. Hij nam de gezichten en de lichaamstaal van voorbijgangers in zich op. ‘Al zou ik ze voor niets aan het werk kunnen krijgen, dan zou ik ze nog niet hoeven,’ hoorde ik hem zachtjes zeggen tegen niemand. Misschien zeiden ze dat in de tijd van Jezus ook wel over de scharen.

Wat een raar woord trouwens. Vraag op straat wat de scharen zijn en iedereen zal zeggen: het meervoud van een schaar. ‘Mensenmassa’ staat er daarom in de NBV. Dat is tenminste goed Nederlands. Alleen vertelt het slechts de halve waarheid. Bij een mensenmassa denken we aan mensen die in grote getale een evenement bezoeken, een feestje bouwen, files veroorzaken en soms een berg rotzooi achterlaten. In een mensenmassa kun je onder de voet gelopen worden. Soms kiezen hooligans de mensenmassa uit om rotzooi te trappen. Maar gelukkig is het niet alle dagen feest. Morgen gaat alles weer zijn gewone gang. De mensenmassa is niet meer. Elk mens afzonderlijk heeft weer een eigen gezicht.

Dat is precies het verschil met de scharen. Ze zijn er morgen nog steeds. De scharen trekken van hot naar her. Jaag je ze weg, dan duiken ze elders weer op. Het is hun gewone gang. Thuis hebben ze niks te zoeken, als ze al een thuis hebben. Waar er mogelijk arbeidskrachten tekort komen, daar duiken ze op in de hoop een dagloon te kunnen verdienen. Hun waardigheid zijn ze kwijt geraakt. Elk mens verbergt zich in de scharen achter de rug van een ander. Iedereen is er elkaars concurrent en tegelijk moeten ze het van elkaar hebben. Want voor de samenleving hebben ze al lang afgedaan. Je helpt de ander om niet te hoeven creperen. Niet vanwege een hoge moraal. Want die is in de scharen ver te zoeken. Nee, gewoon omdat jij er morgen even beroerd aan toe kunt zijn als zij vandaag, en jij dan ook mag hopen op een kruimel.

Laten we ons gelukkig prijzen met een samenleving die geen scharen meer kent. Zeker, de een heeft het beter dan de ander. En de inkomensongelijkheid neemt toe. Maar er is nog steeds een vangnet, waar we niet dankbaar genoeg voor kunnen zijn (en dus ook zuinig op moeten zijn). Er zwerven hier geen scharen door de straten. Hier zijn scharen gewoon het meervoud van schaar.

II
Nou ja: hier? Daar! (door het raam naar buiten wijzen) Want in dit huis zwerven de scharen door de evangelieverhalen heen. En dan zijn ze er ook. Wat ze precies bij Jezus zoeken, weten we niet. Misschien weten ze dat zelf ook niet eens. Maar ze trekken op hem aan. Soms moet hij ze gewoon van zich afschudden. Leuk gezelschap is het niet. Als wij hier Jezus belijden als onze levende Heer en heiland (nog zo’n woord dat niemand nog kent), dan komt ook alles tot leven wat zich om hem heen verzamelde. Dan zijn de scharen plotseling geen verleden tijd meer of iets van elders. ‘Maar als hij (Jezus) de scharen ziet klimt hij op naar de berg,’ zegt het evangelie. Alles wat in deze serie zomerdiensten klinken zal, komt voort uit dit zien.  En wie hij ziet leeft. Wie hij ziet wordt nooit verleden tijd. Want hij leeft. Jezus is de Levende.

Deze plek hier (en De Bron en de Nieuwe Kerk daar) is de berg waarop Jezus gaat zitten om ons te leren. En u zit eerste rang. Dat klinkt goed, maar is niet zonder risico. Mijn schoonvader kon over de mensen op die braderie in Rotterdam nog zeggen dat hij ze nog niet gratis aan het werk zou willen hebben. Die luxe hebt u niet. Jezus heeft de scharen gezien. En zij weten zich gezien door hem. Ze komen en ze dringen op hem aan. Het goed hebben met elkaar, je thuis voelen bij elkaar, Gods nabijheid ervaren in de diensten, baas zijn in je eigen kerk, dat alles komt onder grote druk te staan als de scharen op de stoep staan. Ze drukken niet op de bel. Ze vragen niet netjes: ‘Mogen we binnen komen?’ Nee, ze dringen zich op. Ze nemen zichzelf mee met alle geweld. En van liturgie hebben ze geen kaas gegeten.

Wie zit daar nou op te wachten? Ik niet in ieder geval. Ik maak onderdeel uit van een kerk die de troost tot kerkelijk erfgoed heeft gemaakt en de treurnis zoveel mogelijk buiten probeerde te houden. Ik maak onderdeel uit van een kerk die het evangelie op een rijtje heeft gekregen en die zich laaft aan mooie woorden en aan een God die louter liefde is. En ik schaam me daar niet voor, zoals ik me niet voor mijn schoonvader schaam. Hij had goed om zich heen gekeken: Wat een treurnis! Wat een lamlendigheid! En zo veel. Zo groot. Nee, dat kun je beter niet over de vloer hebben. Want wat moet je dan? In een ander evangelieverhaal vragen de leerlingen aan Jezus om de scharen weg te sturen voor het avond wordt. Ze moeten toch eten? Waarop Jezus zegt: ‘Ze hoeven niet weg, geven jullie hen maar te eten.’ (Mat. 14:16)  Daar sta je dan met je vijf broden en je twee vissen en je gezonde verstand. Hoe ongelukkig moeten de leerlingen zich niet gevoeld hebben? Want je wilt wel alles maar je kunt niet alles. En is dat niet waar je voor naar de kerk komt? Om met die spanning te leren leven en dat gevoel te delen op menselijke maat. En om die vijf broden en twee vissen dan tenminste met je eigen clubje te delen tot de dag aanbreekt waarop God alles goed zal maken. Zoiets.

III
‘Zalig wie arm zijn aan de geestesadem (Ps. 34:19) omdat van hen is het koninkrijk der hemelen,’  zegt Jezus na het zien van de scharen. Wie zijn dat, die arm zijn aan geestesadem? Die vraag kwam als eerste boven bij de voorbereiding van deze dienst. In het evangelie volgens Lucas zegt Jezus tegen zijn leerlingen: ‘Alvast gefeliciteerd!, jullie die arm zijn, want van jullie is het koninkrijk Gods.’ (Luc. 6:20) Daar spreekt materiële armoede een flink woord mee. Maar hier gaat het om mensen die gebrek hebben aan geestesadem. Wie slechte longen heeft weet wat het is om naar adem te moeten happen. Hier is het de geest die naar adem hapt. Ja, wie zijn dat? Onze kerk heeft zich doorgaans veiliger gevoeld bij de versie van Matteüs dan bij die van Lucas. Materiële armoede werd gaandeweg een ver van mijn bed show. Maar de geest en de eeuwige zaligheid, ja, dat was het terrein van de kerk. Daarom vertelde ze er maar niet bij dat het koninkrijk der hemelen weinig te maken had met het hiernamaals en heel veel met Gods nieuwe aarde waarop de gerechtigheid woont. Want ook het hiernamaals was meer het terrein van de kerk dan deze aarde rechtgezet.

Of de kerk zelf helemaal begreep om wie het hier ging? Karel Eijkman vult het woord van Jezus zo in: ‘Ja, jij daar, bedoel ik / het gaat om jou. / Jij die het bij God niet meer weet / jij die niks meer hebt in te brengen / en met lege handen staat / tegenover al het gebral dat je overvalt. / Jij zal nog van je laten horen. / Ja zeker, alvast gefeliciteerd.’ Dat komt dicht in de buurt bij de wijze waarop Jesaja de verslagenen van hart beschrijft en ook bij de psalm waarmee we deze dienst begonnen zijn. Dat laatste is geen toeval. In de zaligsprekingen van Jezus klinken de psalmen mee. Zo houdt in elke zomerdienst de psalm, waarmee we beginnen, verband met het ‘alvast gefeliciteerd!’ van die zondag.

‘Wie God roept hoort Hij aan / en Hij verlost wie is benard. / Hij zal gebrokenen van hart in gunst terzijde staan.’ (Ps. 34:7 berijmd), zongen wij. Zijn dat niet de mensen, die arm zijn aan de geestesadem? Die al zo lang naar God geroepen hebben, dat hun geest ervan achter adem is geraakt? Benard door het tuig dat weerloze mensen onderuit haalt en gebruikt als mest voor hun bomen die tot in de hemel moeten kunnen groeien? Zo zie je maar weer dat er weinig ruimte zit tussen de armen bij Lucas en de armen van geest bij Matteüs. Zoals iemand die het permanent benauwd heeft niet alleen fysiek, maar ook geestelijk ineen krimpt, zo zijn de armen van geest bij Matteüs niet alleen rijp voor een pastoraal bezoek van de dominee, maar is hun leven een groot protest tegen kerk en samenleving.

‘Van hen is het koninkrijk der hemelen,’ zegt Jezus. Hoor het goed: hier wordt geen stip aan de horizon gezet. Het gaat om nu. Het gaat om hier. Het gaat om hen. En ja, het gaat ook om u, gemeente! Maak u geen zorgen. Maar denk niet dat u dit koninkrijk kunt vinden en binnengaan door u af te schermen van mensen, die mijn schoonvader nog niet voor niets aan het werk zou willen hebben. Van hen is het koninkrijk. En van u, in zover u geen muurtje bouwt tussen hen en u. Want in dat geval plaatst u zichzelf buiten het feestje van God. Gek hè, dat het zo kan uitpakken?: je bouwt een kerk ter ere van God en ondertussen sluit je je af voor het feestje van God met de mensen. Maar misschien willen we dat ook wel. Want God, wat moet je met dat volk?! En: God, wat moeten we met u?

IV
Kijk, in Psalm 34 gaat het over de rechtvaardigen en de goddelozen en over God die de rechtvaardigen te hulp komt in hun benard bestaan. Daar snappen we nog iets van, al heeft het lang geduurd voor we beseften dat rechtvaardigen niet synoniem waren aan gelovigen en goddelozen niet synoniem aan ongelovigen. Dat rechtvaardigen zij zijn die Gods geboden leven en dat goddelozen zij zijn die de weerlozen vertrappen, als het moet met een gebed op de lippen. Oké, dat weten we nu zo langzamerhand wel.

Maar die scharen die in het evangelie Jezus stalken, dat zijn toch niet de rechtvaardigen uit de psalm? Het is toch niet voor niks dat de schriftgeleerden over de scharen zeiden: het volk dat de wet niet kent; dat niet leeft met Gods geboden? Nee, dat is niet voor niks. Aureooltjes zal je niet zien boven de scharen. Het is volk dat er niks van weet te bakken. En altijd ligt het aan een ander, nooit aan henzelf. Doodmoe word je er van. Er is geen zalf aan te strijken. Klopt allemaal. En toch zegt Jezus: ‘Van hen is het koninkrijk der hemelen.’

V
Maar waar zit dat ‘m dan in? Wat is de evangelische logica hiervan? Zijn ze beter dan wij, gesettelde mensen? Allesbehalve! Hebben de drop-outs een streepje voor bij God? Dat zou je kunnen denken als je de boeken van Mozes en de Profeten ter harte neemt. Maar ook dat antwoord schiet net langs de waarheid heen. De waarheid is dat Jezus hen heeft aangezien. Niet bekeken maar aangezien. Wat ik al eerder zei: alles wat in deze serie zomerdiensten klinken zal, wordt uit dit zien geboren. Nee, de scharen zijn niet de rechtvaardigen uit psalm 34. En toch worden ze daartoe gerekend. Jezus ziet hen aan en dat maakt dat onmogelijk zooitje ongeregeld rechtvaardig. Naar de maatstaven van de wereld slaat dat werkelijk nergens op. Maar ja, die gelden hier niet hè? Hier geldt dat ene: dat de Levende hen heeft aangezien.

Ik hoop dat u zich ook door hem gezien weet. En dat dan alles van u afvalt: de noodzaak om uzelf te bewijzen, om prettig gezelschap te zijn, om uw eigen treurigheid te verbloemen, om dat mooie geloof van u hoog te houden. Want daar komt het allemaal niet op aan. Er is maar een ding dat telt en dat is dat Jezus ons aanziet. En alles valt van u af. Alles waarvan u dacht dat het daar om draaide in de kerk: uw beste beentje voor, steun en toeverlaat weten te zijn, vertrouwend op God en uitziend naar de eeuwigheid. Het valt allemaal van u af. En u straalt. Lichter dan u ooit geweest bent. Omdat hij u heeft aangezien. En al dat volk, dat je naar de maatstaven van deze wereld beter kwijt dan rijk kunt zijn, staat om je heen. Met jou één in Christus.

In de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest. Amen

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *