Preek van de week – 14 augustus

2 Samuel 21, 1-14
Mattheus 5,8

1.
Voor de vijfde achtereenvolgende keer voegen we ons bij de leerlingen van Jezus om zijn woorden te horen.
We bevinden ons met hen op de berg. Want dat is de plaats waar Jezus spreekt. De evangelist Mattheus tekent hem als een tweede Mozes, die vanaf de berg doorgeeft wat hij van Godswege heeft verstaan. Jezus ontvouwt de Thora opnieuw. Hij spreekt op nieuwe wijze over Gods bevrijdende nabijheid. Niet alleen zijn woorden, maar heel Jezus’ levensweg kunnen worden samengevat in de roep: “Keer je om, want het koninkrijk der hemelen is nabij!” Dat is een roep, een oproep om een nieuwe wereld te zien: een wereld waarin de spiraal van terreur en tegenterreur is doorbroken, waarin onze schuld is weggedaan, waarin we niet langer de dood hoeven te vrezen. Dat appel, die uitnodiging brengt iets teweeg in het leven van mensen. Wie zich heeft laten raken, kan zich niet langer neerleggen bij wat gegeven is. Die wordt gedreven door een verlangen naar het andere dat dwars door dood en destructie heen werkelijkheid wordt – een gerechtigheid en goedheid waar Gods naam borg voor staat.

2.
De Bergrede schetst de contouren van die andere wereld. Te beginnen met de zaligsprekingen. Die radicale en tegelijk zo inspirerende uitspraken maken duidelijk dat Jezus ons in de Bergrede geen onbereikbare utopie en ongrijpbaar hoog ideaal voorhoudt; dat hij mensen ook geen strenge wet of knellende regels oplegt. Hij spreekt woorden van belofte. Hij zegt ons het evangelie aan: tijding van vreugde. Daardoor valt over ons bestaan een ander, nieuw licht licht en leren we Gods presentie te herkennen, zijn nabijheid aan ons leven – in alle verborgenheid en kwetsbaarheid.

Gelukgewenst klinkt het tot acht keer toe. Ditmaal geldt de felicitatie de reinen of zuiveren van hart. Wie dat zijn? Ze horen in elk geval thuis bij al die anderen: de armen van geest, de treurenden, de zachtmoedigen, degenen die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, de barmhartigen, de vredestichters en de vervolgden. En evenals in de overige zaligsprekingen wordt duidelijk dat de Schriften in deze woorden mee-resoneren. Geen zondagsschoolversjes over reine hartjes, maar psalmwoorden helpen ons de betekenis van deze zaligspreking op het spoor te komen.

“Wie mag de berg van de HEER bestijgen,
wie mag staan op zijn heilige plaats?
Wie reine handen heeft en een zuiver hart,
zich niet inlaat met leugens
en niet bedrieglijk zweert”
aldus psalm 24, waarmee we deze dienst begonnen.

Voordat iemand naar de tempel gaat, moet hij zijn lichaam reinigen om zichzelf eraan te herinneren dat hij zuiver van handen en hart moet zijn, van buiten en van binnen vrij van al die ongerechtigheden die een mens het zicht op God steeds weer belemmeren. Dan kun je opgaan naar de heilige plaats om de Eeuwige te ontmoeten, om Hem te zien.

“Zalig de reinen van hart,
want zij zullen God zien”
zegt Jezus, aansluitend bij de psalm.

Zuiver van hart zijn degenen die in hun hart, hun houding, hun levensoriëntatie ondubbelzinnig vasthouden aan wat zij als hun roeping hebben verstaan. Mensen die integer zijn, onverdeeld van hart, afgekeerd van schijn en leugen. Zij loensen niet, zij houden één ding voor ogen – die andere wereld die God van den beginne beoogde. Zij houden vast aan de visie van God, aan het visioen van het Koninkrijk – dwars door alles heen. Zij blijven naar God vragen en om Hem vechten. En zij zullen het zien. Zij zullen God zien – met eigen ogen.

4.
Zoekend naar een gestalte waarin deze levenshouding aan het licht komt, kwam ik terecht bij Rispa. Ik kende het verhaal niet, totdat ik al vele jaren geleden de meditatie las die Oepke Noordmans schreef bij hoofdstuk 21 uit het tweede boek van Samuel. Verzamelde Werken, dl. 8, p. 228 vv) Noordmans is een Nederlandse theoloog die leefde van 1871 tot 1956. Zijn zoektocht naar een theologie die op open wijze doordenkt hoe wij over Gods verborgen nabijheid kunnen spreken, vind ik aanstekelijk en nog steeds actueel. Hij is het die mij de ogen heeft geopend voor deze vrouw.

5.
De lezing uit Samuël voert ons mee naar de geschiedenis van David, die uiteindelijk tot koning van heel Israël is geworden. De geschiedenis van zijn tegenspeler Saul is bijna ten einde, maar de tragiek van diens huis bereikt nog éénmaal een dramatisch hoogtepunt in het optreden van Rispa. Drie jaar lang is er hongersnood in Israël. Als David zich tot God wendt en naar de oorzaak vraagt, krijgt hij ten antwoord dat het was vanwege een bloedschuld die rustte op Saul en zijn nakomelingen. De omgekomen koning heeft een bloedschuld nagelaten die nog steeds niet is gedelgd. Tijdens zijn regeringsperiode zou hij de Gibeonieten hebben willen uitroeien. Met deze inwoners had Jozua ooit een verbond van vriendschap gesloten. Bij ede hadden de Israëlieten het bestaan van dit kanaänitische volk binnen de grenzen van het land verzekerd. De schending van dit verbond mag niet ongewroken blijven. David ontbiedt de Gibeonieten bij zich en vraagt hun hoe zij de bloedschuld gedelgd willen zien. Dan blijkt dat goud en zilver niet voldoende zijn. De Gibeonieten eisen de dood van maar liefst zeven nakomelingen van Saul. Alleen door het bloed van de Sauliden kan de bloedschuld worden voldaan. David gaat in op deze eis: hij speelt hun twee zonen en vijf kleinzonen van Saul in handen. En zo horen we dan: Alle zeven worden zij opgehangen – “op de berg, voor het aangezicht van de Eeuwige.”

6.
Een vreemd en duister verhaal, dat allerlei vragen bij ons oproept. Hoe zit dat bijvoorbeeld met David? Terwijl hij tot nu toe steeds erop bedacht was zich niet aan Saul en diens huis te vergrijpen, levert hij hier zeven nakomelingen over. Of komt het hem eigenlijk goed van pas om onder de leus “God wil het” de lastige Gibeonieten genoegdoening te geven en op deze wijze zichzelf te ontdoen van enkele koningskinderen die nog altijd een potentiele dreiging vormen voor zijn eigen moeizaam verworven positie op de troon? Is dit nu de messiaanse, uitverkoren koning? En bovenal: hoe zit dat eigenlijk met God? Wat moeten wij met een God die een land teistert met hongersnood, omdat hij toornig is over een verbroken verbond en een niet gedelgde schuld? Is onze God een God die bloed wil zien?

7.
Het verhaal gaat verder. Ineens is daar die vrouw: Rispa. Eens de minnares van koning Saul, die zij twee zonen schonk. Nu een dwaze moeder. “De Antigone van Israël” is zij wel eens genoemd. Antigone is volgens de Griekse mythologie de vrouw die het bevel van Kreon trotseerde, de wrede koning van Thebe. Die had verordend dat het lichaam van Polyneices, die in een gevecht met zijn broer Eteocles was omgekomen, buiten de stadsmuren moest blijven liggen, als straf en afschrikwekkend voorbeeld voor wat door Creon als landverraad werd betiteld. Antigone, de zuster van beide broers, kon dat niet verdragen. Zij waagde zich in de nabijheid van de soldaten die het lijk bewaakten. Toen door opwaaiend stof hun het zicht werd benomen, greep zij haar kans en gaf haar broer een symbolische begrafenis. Het kostte haar het leven.

8.
En Rispa? Rispa neemt een doek, spreidt die uit over de harde rotsgrond en neemt plaats bij de gehangenen. Zij zit daar op de berg, aan de voet van die zeven martelpalen. Zij beschermt de gestorvenen – haar zonen en verwanten – tegen de vogels van de hemel en de wilde dieren op aarde, allen belust op een prooi. Zij zit daar – vanaf april, als de gersteoogst wordt binnengehaald, tot aan oktober, wanneer de eerste herfstregens vallen. Een levend protest, taai en hardnekkig. Een toonbeeld van tederheid en gerechtigheid. Rispa gaat tot de grenzen van het mogelijke. Zij gaat tot over die grenzen. Zij gaat het gevecht aan met gieren en jakhalzen. Zij bindt door deze daad de strijd aan met David, de koning. Heel haar optreden is een levende aanklacht tegen zijn mis-dadigheid. Is hij niet een karikatuur van wat een koning in Israël moet zijn?

“Jouw recht is slecht, koning.
Ik zal op de bergen gaan.
Ik zal de gieren van de hemel,
de jakhalzen van de aarde verslaan.
Ik zal mijn doden redden van hun tanden,
hun lijken uit jouw handen, koning,
ik zal jou weertaan.
Jouw recht is moord, koning,
jouw god moet een dood-god zijn.
Maar er bestaat een mens op aarde
bij wie de doden geborgen zijn.
Ik zal de hitte van de zomer dragen,
de storm- en regenvlagen, koning,
ik zal bij hen zijn.

Jouw recht is op, koning.
Ik weet van een nieuwe tijd,
van mensen die als mensen leven,
uit doem van schuld en wraak bevrijd –
een zware dracht van vruchten aan de bomen,
op alle bergen schoven
van gerechtigheid.”
(Huub Oosterhuis, Nieuw bijbels liedboek, p. 95)

9.
Toen Noordmans zich over dit verhaal boog, ging hij nog een stap verder dan Oosterhuis in dit aangrijpende gedicht.
In haar strijd tegen de vogels van de hemel en de wilde dieren op aarde, in haar protest tegen het optreden van David, is de gestalte van Rispa een aanklacht tegen God. Zij vecht tegen de Eeuwige en zijn vervloeking. Zij gunt hem haar zonen niet, de beenderen van haar kinderen. Maar in dit gevecht, in die aanklacht is het haar om God zelf te doen. Zij eist dat God anders kan zijn dan Hij zich haar hier laat zien. Zij doet een beroep op God tegen God. Zij neemt geen genoegen met die zijde van God die zij op de berg ontmoet. Zij eist dat God anders kan zijn dan Hij zich hier aan haar laat zien. Zij doet een beroep op God tegen God. Zij doet een beroep op de scheppende, op de leven schenkende God die scheiding maakt tussen de dodelijke, destructieve machten en de humaniteit. Zij kan niet anders dan de wacht betrekken bij het kruis en haar stem verheffen nu de menselijkheid met voeten wordt getreden en het door God gegeven leven geschonden en vernietigd wordt. In haar volhardende wake is zij een aanhoudende schreeuw om een ander koninkrijk. Zo bepaalt zij God bij zichzelf, bij wat hem van den beginne voor ogen stond: een wereld waar de dodelijke cirkel van bloed en wraak is doorbroken. Zij houdt God zijn barmhartigheid voor. En God laat zich bewegen. Anders dan in het verhaal van Antigone en Creon buigt David voor deze gestalte die hem aan zijn bestemming herinnert. De gestorvenen worden – met het overschot van Saul en Jonathan – begraven in het graf van Kis, de vader van Saul. Later wordt verordend dat terechtgestelden voor zonsondergang begraven dienen te worden. Door Rispa, zo schrijft Noordmans, is de wet in Israël verzet,

10.
“Zalig de reinen van hart, want zij zullen God zien.” Waar zien wij God? In het evangelie ontmoeten we hem in die man, die spreekt van Gods koninkrijk en zich schaart aan de zijden van de armen, de treurenden, degenen die hongeren en dorsten naar gerechtigheid. Dat brengt hem tenslotte naar Golgotha, waar hij te midden van twee moordenaars gekruisigd wordt en waar zijn moeder onder het kruis hem tot het einde toe nabij blijft. In het verhaal uit Samuel zien we God in die vrouw aan de voet van zeven kruisen: Rispa, die instaat voor de humaniteit en haar wachtpost niet verlaat, totdat aan haar doden recht wordt gedaan en zij een glimp opvangt van Gods barmhartigheid, van het andere koninkrijk. In haar en in al degenen die vasthoudend, onverdeeld en zuiver van hart de wacht betrekken bij de menselijkheid op aarde, in hen wordt zichtbaar waar Gods Naam voor staat.

Amen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *