Preek van de Paasdag – Zondag 21 april ’19

Jesaja 51, 9 – 11
Johannes 20: 1 – 18

I
Afgelopen woensdag waren we te gast in Saint John’s Cathedral in Oban – Schotland. Onderweg naar huis, na een pelgrimage met jonge mensen naar het eiland Iona. We maakten er een kruiswegmeditatie mee. Een van de verbeeldingen toonde ons Jezus, onderweg naar Golgotha, vallend onder het gewicht van het kruis. ‘Hij valt op de aarde. De aarde die hij zelf heeft geschapen,’ sprak de voorganger. Die woorden bleven bij me haken. ‘In hem is alles geschapen, alles in de hemel en alles op aarde,’ lezen we in de brief aan de Kolossenzen. ‘Hij bestaat vóór alles en alles bestaat in hem.’ En die ligt daar op de grond. Een mens die kapot gemaakt wordt. De aarde vangt hem op. Zijn aarde.

Die twee uitersten krijg je nooit bij elkaar. Hou op met verklaren! Geef je over aan het geheim, waar je zelf deel van uit maakt. Zowel van de schepping als van het verwonden er van; van het verwonden van hem en van jezelf.

Vandaag is het niet anders. Geef je over aan het geheim, waar je zelf deel van uitmaakt. Als wij niet juichen, zullen de stenen dat wel doen. “Christus is opgestaan!,” riep Klaas van der Lingen (de ouderling) ons toe aan het begin van deze dienst. En het bleef niet stil. Wij antwoordden: “Ja, hij is waarlijk opgestaan!” Misschien vroeg u zich af: Wat zeg ik nu? Wil ik dit wel zeggen? Geloof ik mij wel op mijn woord? Laat ik u dan dit zeggen: je hoeft jezelf niet te geloven. Híer niet in ieder geval. Vanmórgen niet. De overtuiging waarmee de paasgroet klonk is niet onze overtuiging. Dit is Gods grote “Ja!” Wij weten niet wat wij zeggen. Maar wij moeten het wel zeggen; wij mogen het zeggen. Dit “Ja!” draagt alles wat een mens te zeggen kan hebben, gedaan heeft en nog te doen staat.   

Je weet niet wat je zegt. Het gaat je ver boven de pet. Het duikt onder je door. Het ‘ja’ omgeeft je van achteren en van voren. Maar het is alsof dat ‘ja’ monden zoekt om het te zeggen. Je juicht mee met een nieuwe schepping. Verbonden met de dieren en de planten, de wolken en de wind, de zon en de zee. Want het moet eruit vanmorgen: “Ja, hij is waarlijk opgestaan!” Dat ‘ja’ moet in uw oren klinken en resoneren in uw hart. Já, om jou en heel de schepping is het te doen, ook al gaat het ver boven de pet. De hele wereld gaat het aan. Wáárlijk!

Dat moest er uit. Maar daarmee liggen alle kaarten voor de preek open op tafel. Er is een vreugde die het wint van al jouw vragen. Een vreugde die jouw pijn niet wegveegt, maar die wel alles doordringt en omringt en van jou is.

II
Maar hoe kan dat dan? Soms veegt iemand met een bezwerend woord al jouw vragen van tafel zonder ze op te ruimen. En jij blijft alleen achter, zoekend naar de scherven. Wat moet je als je onderweg God bent kwijt geraakt omdat Hij er op de beslissende momenten niet voor je was? Wie merkt hoe zeer de paasgroet bij je doet? “Ja, hij is waarlijk opgestaan!”  Was het maar waar! O God, was het maar waar!

Vanmorgen bukken we ons met Maria van Magdala en kijken in een zwart gat. “Ik kom voor mijn Heer, mijn heer, maar waar is hij gelegd?”, vraagt Maria. Is dat ook niet onze vraag? Je verlangt terug naar de zeldzame momenten dat je wandelde met God; toen het allemaal nog klopte. Nu weet je zelfs niet meer hoe je je kinderen de weg van het geloof kunt wijzen. Er is zo veel gebeurd, zo veel veranderd, zo veel zoek geraakt. Soms lukt het je om dat te accepteren. Je sluit een hoofdstuk af en je gaat moedig verder. Het is niet anders. Maar soms ook staart dat gapende gat je aan. Die lege plek die ooit licht was en je bestaan verwarmde. Zo donker… is het nog als ze in de vroege morgen naar het graf loopt, Maria van Magdala.

De vragen snijden door haar lijf. Ze kan er niet bij weg. Kijk, als het nou om waarheid ging, om iets dat in je hoofd zit, dan kon ze er een streep door halen en naar huis toe gaan om te leven met een waarheid minder. Maar Maria is meer dan haar hoofd. Alles staat op het spel. Alles doet pijn. Haar lijf, de wereld, de toekomst. Er is geen ontkomen aan de leegte. De dood van Jezus is geen tragisch incident. Met hem is een einde gemaakt aan leven uit liefde.  

Die liefde weerspiegelt zich hier in het huilen van Maria. In het gemis. Niet in het zeker weten van hen die met net iets te rode konen roepen dat hij is opgestaan. Weet u, als de paasboodschap ergens oor vindt, dan is het niet in onze vroomheid. Eerder in onze verwarring, in ons niet weten. Uit die hoek waait de wind. Ze ritselt om ons gemis heen. Bij het niet te dichten gat, daar komt God de wereld binnen en omarmt die. Pasen sluit aan bij de onbeantwoorde vragen. Zwijgend. Tastend. Solidair met onze tranen die soms niet eens meer een adres hebben.

III
Ja, alles goed en wel. Maar nu wil ik toch eindelijk weten of het allemaal echt gebeurd is. Leuk hoor, die taalspelletjes en dat gefilosofeer. Maar draai je daarmee niet om de hete brij heen? Ik wil het weten. Ik wil het horen. Betekent dat ‘ja’ van God nou dat het echt gebeurd is, of is het eigenlijk toch ‘nee’? Ik wil het horen van een ander omdat ik voel dat ik me steeds meer schrap moet zetten om te geloven dat het echt gebeurd is. Want mijn verstand zegt: ‘Neen, jongen,…’ En de opiniemakers leren mij: ‘Neen, jongen, dat kan helemaal niet’.

Waarom zijn het toch zulke vage verhalen, die evangelieverhalen over de opstanding? Waarom spelen ze letterlijk in de schemering? Waarom niet één heldere boodschap die de zaak alleen maar ten goede komt? Elk zichzelf respecterend bedrijf heeft één heldere missie (‘What you see is what you get’), waarom de kerk dan niet? Waarom staat de Heer daar niet rustig bij het graf te wachten, leunend tegen de steen; wachten tot ze eindelijk komt, Maria, en dan een lieflijke begroeting. En alles is meteen ongelofelijk in orde? Als het kan met de camera’s die The Passion vastlegden erbij. Zodat iedereen mee kan genieten.

In plaats daarvan komen er vragen terug, als Maria zich afvraagt waar haar Heer dan wél gebleven is. Vragen uit het graf, uit de leegte. Andere vragen, nieuwe, overbodige vragen… ‘Waarom huil je?…’ Hoewel ’t natuurlijk een heel intieme vraag is: ‘waarom huil je nou?… kerkmens?; alles kwijt, maar waarom huil je?’ Ja, wat een vraag; dat ligt voor de hand, niet? ‘Ja, maar wacht, wié zoek je dan? Wat wil je nu, waar kijk je naar… waar wacht je op,… wat zou je willen… naar wié ben je op zoek?’

Het Paasverhaal blijft vraagjes stellen – als de morgenwind die om je slapen speelt. Mooi, fijn hoor, maar ik heb liever een antwoord. Die kleine vraagjes hangen als een soort radioruis in de lucht, storend, en zeggen: ‘ja, een antwoord, waarop? Op welke vraag wil jij een antwoord?’ Eigenlijk is het toch nog zo gek niet dat daar staat: ‘Wié zoek je nu?’ Hoe meer je erover nadenkt, als je dat eenmaal gaat doen, dan… ja, daar zit wel iets in. Wàt zoek ik nu?

Het Paasverhaal is geduldig. Dat “Ja!” voor jou wordt toch nooit meer een nee. Je mag er ook lang over doen. Het heeft tijd nodig om de goede vragen te leren stellen! Dat zwarte gat blijft intussen nog even bestaan. Maar ja, als de morgen van Pasen eigenlijk het liefste alle leerlingen van toen dwingend had willen overtuigen dat Hij wel degelijk leeft… waarom heeft dan niemand van hen te zien gekregen hoe die steen wegschoof?

Omdat het niet dàt is wat jij moet zien, dat is het niet wat je moet ‘geloven’. Om dàt soort geloof gaat het blijkbaar niet! Dus is het ook niet eerlijk van je om te doen alsof het er met Pasen om gaat dat jij moet geloven dat er iets is na de dood, punt. Is dat dan niet zo? Jawel, God mag weten hoe of wat, maar dat is nog geen Pasen,… Dat “Ja!”, jou aangezegd, is veel intiemer… ‘Waarom huil je?’

IV
Pasen is geen weetje. Pasen komt er niet maar even bij. De Levende Heer laat zich niet inpassen. Hij wil niet even meedoen met de rest van wat je hebt. Je hebt het allemaal zo mooi op orde en je wilt het graag zo houden. Je leeft en je wilt niet dood. En daar is Pasen dan voor. Om je gerust te stellen. Maar o wee als het leven klompen heeft aangetrokken en door jouw porseleinkast banjert, dan gaat er meer aan scherven dan je ooit voor mogelijk had gehouden. Je bent nergens meer.

In dat niemandsland word jij herkend en bij je naam geroepen. Als Maria. Ik vind het de mooiste tekst uit de bijbel. Je bent God kwijt. Je bent jezelf kwijt. En de aarde kraakt onder jouw ecologische voetafdruk. En dan die stem die je bij name noemt, die alles omkeert – niet glad strijkt maar omkeert. Als ik zeg ‘alles’, dan bedoel ik ook ‘alles’. Hij heeft alles gezien; alle gezichten van wie zijn doodgezwegen en over de kling werden gejaagd – ‘Neder gedaald ter helle’, zegt de geloofsbelijdenis. En jou daarbij. Met dat zien van die ene, met het noemen van jouw naam verandert alles. Vanaf vandaag is ieder mensenkind jouw zus, jouw broer. Verbonden met alles wat leeft. Ja zelfs met de stenen en met de wolken. Niemandsland wordt Iedersland. Opstanding keert alles om – verleden, heden, toekomst, jou, mij, de wereld.

Bij deze veel te grote woorden hoort een nog groter geduld met jou. Alle stress is er af van nu of nooit. De hemel heeft alle tijd om jou die kleine vraagjes te stellen: Wat zoek je? Wie zoek je? Niet omdat ze alles weet, maar omdat het haar om jou te doen is. Het gaat om ontmoeting, waar jij het met jouw eigen eenzaamheid en uitzichtloosheid dacht te moeten doen. Het gaat om God en jou, om zijn leven en jouw dood. Om zijn tuin die bloeit rond het open graf. Dat tot je laten doordringen, is een heel gebeuren. Maar dat is pas vreugde! Echte vreugde, grond onder de voeten. Dat moet geboren worden. Dáárom plakt het “Ja!” van Pasen aan elkaar van tranen en vraagjes…

Voor ieder zal die ontdekking verschillend zijn. Voor Petrus was het anders dan voor Johannes. En voor Maria was het weer anders. Voor u, voor jou, voor mij – anders. Niet op formule te krijgen. Of het zou de paasgroet moeten zijn; Gods ‘ja’ in onze mond. “Ja, hij is waarlijk opgestaan!”

Amen

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.