Preek van de Kerstochtend

Gemeente van Onze Lieve Heer,

Eerlijk gezegd baalde ik een beetje dat Johannes 1 vandaag op het leesrooster staat. Toen Evert Jan me vroeg om de kerstpreek te doen, dacht ik, oh leuk, dan mag ik preken over het Kerstverhaal. Maar niets is minder waar. Van oudsher wordt het Kerstverhaal tijdens de nachtdienst gelezen en staat Johannes 1 voor Kerstochtend op het rooster. Zo ook vandaag. En ik weet niet wat jullie van deze tekst vinden maar ik heb hem altijd al een beetje ingewikkeld gevonden. Heel anders dan de inleidingen van de andere evangelisten. En ook heel anders dan de rest van Johannes, dat vanaf vers 19 begint en tot aan het eind van het boek een getuigenisverslag is. Waar deze getuigenissen redelijk concreet de woorden en daden van Jezus beschrijven, is de inleiding dat allerminst. De inleiding die we vandaag gelezen hebben, vormt een wat abstract, misschien wel poëtisch geheel. In één van de theologische boeken die ik er op na heb geslagen wordt de tekst zelfs mystiek genoemd.

‘In het begin was het Woord, het Woord was bij God en het Woord was God (of eigenlijk: ‘God was het Woord’, als we de volgorde van de Griekse tekst aanhouden). Het Woord, met hoofdletter W. Waarom toch deze woordkeuze van de schrijver? Wat wil de evangelist met deze versen zeggen? Bedoelt hij echt dat de persoon Jezus voor de Schepping al bij God was, wachtend op Kerst, op het moment dat Hij, het Woord, mens kon worden? Ik heb altijd wat moeite gehad met die uitleg. Misschien vind ik het wel te eenvoudig. Gaan we ermee te snel voorbij aan de zeggingskracht van deze tekst. Want de neiging is groot om ons Jezus als persoon, als mens dus, voor te stellen aan het begin van de Schepping, bij God, één met God. Maar daar is de tekst wel duidelijk over: het Woord is mens geworden en heeft bij ons gewoond. Voordat het mens werd, was het Woord dus nog geen mens. In het begin was het nog geen mens.  Maar wat dan wel? Wat is die zeggingskracht hier? Gaat het wel over iets concreets, over een persoon of is het een allegorie? Een abstract begrip dat in de tekst wordt gebracht als ware het een persoon?

We kunnen er niet zeker over zijn. Dat werd me wel duidelijk na het bestuderen van de tekst en de theologische boeken. Eén van de theologen besluit met ‘het is moeilijk om er verantwoord meer van te zeggen.’ Toch komt hij wel tot de conclusie dat Johannes het bij het spreken over het Woord heeft over waarheid, over licht en leven, over écht leven, over het werkelijke leven in de zin van een vervuld bestaan. ‘Dit heil’, want zo mag het wel genoemd worden aldus deze theoloog, ‘was er in den beginne. Het was bij God en het was zelf God.’ Misschien had Johannes dus ook wel kunnen kiezen voor het woord Heil, i.p.v. Woord. In het begin was het heil, het heil was bij God en God was het heil. Het heil is mens geworden en heeft bij ons gewoond. Of misschien had hij ook kunnen kiezen voor het begrip ‘liefde’, zoals de paters Jezuïeten, die met Advent dagelijks een digitale meditatie rondmailen, in de weektekst van de vierde Advent melden: ‘Het is de liefde van de Vader die op Kerstmis in Jezus mens wordt.’ Of hij had kunnen kiezen voor het begrip ‘goedheid’, of voor ‘zin van het leven’ zoals weer een andere theoloog uitlegt bij vers 1: ‘vanaf het begin is de zin van het leven (zo zeggen we het vandaag) aan het leven meegegeven’.

Maar Johannes kiest niet voor die begrippen, maar voor ‘het Woord’ met hoofdletter W. En dat is misschien ook wel te snappen als we kijken naar de tijd waarin het Johannesevangelie geschreven is. In de Griekse wereld zochten vele denkers naar de zin van het leven in de ratio en dus ook in het woord. Met die ratio was de zin van het leven, hoewel vaak verborgen, in alles aanwezig. En in de joods-rabbijnse traditie werd in de tijd van Johannes richtinggevende macht toegekend aan de Wijsheid (zoals we in Spreuken 8 bijvoorbeeld kunnen lezen) en aan de Tora. Om dit te onderstrepen werd gezegd dat Wijsheid en Tora al bij God waren voordat Hij de wereld schiep. Met gebruik van het begrip het Woord maakt Johannes hier dus voor zowel Joden als Grieken duidelijk dat ze bij Jezus het antwoord kunnen vinden op al hun vragen. Dat van hem richtinggevende macht uitgaat die niet alleen goddelijk is, maar ook in den beginne al bij God was. Want als één ding duidelijk is in dit tekstgedeelte dan is het wel dat Johannes diep onder de indruk is geraakt van de persoon die hij introduceert, het mens geworden heil: Jezus Christus. Hij heeft hem leren kennen en door die ontmoeting met hem is er een feller licht gaan schijnen op de werkelijkheid. Duidelijker dan ooit tevoren werd het voor hem wat de zin van alles is. En dat kwam hem voor ogen, letterlijk, door de menswording van het Woord, van het heil, door de mens Jezus die met Kerst zijn eerste adem haalt hier op aarde.

U weet misschien wel dat we elke donderdag een hoofdstuk lezen uit het evangelie tijdens het Bijbeluurtje. Mattheüs hebben we uit en we zijn nu met Marcus bezig. En ik kan niet anders zeggen dat elke week weer, wanneer we een hoofdstuk lezen, ik ook zeer onder de indruk raak van die mens Jezus, dat ik me goed kan voorstellen dat Johannes kiest voor zo’n wonderlijke, zo’n bijzondere introductie. Natuurlijk, ik noem mijzelf al mijn leven lang een christen, ik weet al heel lang van zijn geboorte, zijn kruisdood, en zijn opstanding en ik prijs mezelf er gelukkig mee. Maar elke keer als we weer lezen over zijn woorden en zijn handelingen, dan word ik, zonder dat ik altijd precies begrijp wat Jezus bedoelt te zeggen, elke keer opnieuw bevestigd in dat sterke gevoel dat zijn woorden, dat zijn aanwezigheid hier op aarde raakt aan het geheim van al wat is. Dat dit geheim aan ons vooraf is gegaan, en dat wij daaruit voortkomen. Dat Zijn woorden en handelingen, hoe ondoorzichtig soms ook voor ons mensen, raken aan de zin van al wat is, van het werkelijke leven, uit liefde, in waarheid. En juist daarom is het ook zo bijzonder dat al die grote woorden samenkomen in en uitgaan van een mens, een mens van vlees en bloed zoals jij en ik. Die bijzondere mens is het ultieme nakomen van Gods belofte die zo dikwijls in het Oude Testament klinkt dat de macht van onderdrukkers gebroken zal worden. Dat het licht overwint op de duisternis. Jesaja bejubelt dat door uit te roepen hoe welkom die vreugdebode is, dat God redding brengt, ondanks alle ongehoorzaamheid van het volk Israël, dat Hij troost en dat Hij de mensen zal vrijkopen.

In deze verwachting, en ook in de onderdrukking waar ook de joden van de eerste eeuw mee te maken hadden, wordt Jezus geboren uit een mens. En hoewel Hij op een hele andere manier Koning zal zijn dan de verwachting is, eentje die in alle eenvoud leeft, die geboren wordt in een kribbe, Jeruzalem binnenkomt op een ezeltje en wordt opgepakt om een kruisdood te sterven, is juist Hij die ultieme Koning. Omdat juist Hij in al die eenvoud door de opstanding uit de dood laat zien hoe ontzaglijk groot en almachtig Gods Liefde is. Die liefde die niks te maken heeft met politieke macht en materiële rijkdom, maar met omzien, met zorgen voor, met luisteren naar, met er zijn, met waarachtig leven en werkelijk liefhebben. En dat is wat we vandaag vieren met Kerst, dat het ultieme nakomen van Gods belofte, die ultieme Koning, begint met zijn geboorte als mens in een eenvoudige stal, uit lieve eenvoudige mensen. Dus als je te midden van alle lekkernijen, alle heerlijke versieringen en lampjes zoekt naar ‘Waarom was dit ook alweer?’. Denk dan aan die Koning in die simpele stal, die leefde als eenvoudig mens, maar die als ultieme Koning laat zien wie God is, wat zijn Woord betekent en hoeveel hij over heeft voor simpele mensen als wij. Kijk mekaar dan aan, je vrienden, je familie en weet, voel en ervaar, dat het waar is. God is met ons. Fijne Kerst!

In de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest,

Amen.

 

Anne Nijland

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.