Preek van de Kerstnacht

‘Wees niet bang…’ (Lucas 2, 10)

I
Niet vluchten! Ook niet in de afweer! Niet bang zijn! Dat is het eerste dat de engel tegen de herders zegt. Herders zijn overigens niet gemaakt om te vluchten. Ze staan hun mannetje bij een nachtelijke roofoverval of tegenover leeuwen of beren. Nachtvolk is het. Maar dit? Mijn hemel! Deze overval is van een andere orde. Licht overrompelt hen. Maar het is licht waar geen mens op zit te wachten. Omdat het alles open legt. Omdat het alles zichtbaar maakt: de wonden van jouw leven, het kind in jou dat zich nog steeds verbergen moet, dat wat is mis gegaan en waaraan je niet herinnerd wenst te worden, de achterkant van de maskerade van het leven.

Hoe vaak heb je er niet stilletjes om gebeden, dat het alsjeblieft licht mocht worden in jouw leven. Niet eens wetend tot wie of tot wat je aan het bidden was. En wat maakte het ook uit? Het was het donker dat je op de nek zat. Het alles ondermijnende donker, dat de liefde van haar glans berooft en de vreugde hard, kort en donker maakt. Maar dit licht? Mijn God, dit licht is niets ontziend! Het is niet mooier dan wij durfden dromen. Het is helemaal anders. Het laat niets heel van onze verwachtingen. Als het je omstraalt is je eerste neiging om terug te vluchten in je schuilhoek, waar je baas was over jezelf – meestal tenminste – en waar je ziel gewend geraakt was aan het donker. Maar die schuilhoek is nu in een klap weg. Dit licht komt overal. Het verhaal zegt dat de herders hevig schrokken. Maar we voelen aan ons water dat het meer was dan dat. ‘Bevreesd in grote vrees,’ zegt een andere vertaling. Dat komt meer in de buurt.

II
We voelen een diepe behoefte om lichtjes aan te steken in december. Ik ken iemand die er op een avond speciaal voor naar Groningen rijdt om de verlichte bruggen te zien over de Diepenring en onder de feestverlichting door te lopen die het centrum van de stad siert. Het maakt haar zachter. Het geeft het kind in haar de ruimte. Aan kaarsen, die ik elders ooit heb uitgedeeld aan buurtbewoners rond de kerk, hing een kaartje met een groet en een tekst: ‘Het donker kunnen we niet wegnemen, maar we kunnen wel een lichtje aan steken.’ (En geloof me, die buurt kon wel wat licht gebruiken).

Is dat niet wat we doen met Kerst? Een lichtje aansteken, in donker dat we niet weg kunnen nemen? En het is net alsof het donker ons dat wel gunt. Een keer per jaar wil het wel het decor zijn voor de lichtjes die wij aansteken. Het Kerstfeest als een time-out voor alles wat ons op de nek zit. Een soort bestand in oorlogstijd: Mensen klimmen uit hun loopgraven, bestoken elkaar even niet met keiharde tweets, met hun opgekropte woede en hun groeiende angst voor een ander. Want sluimert onder al dat geweld niet ergens het verlangen om gekend te zijn, om niet zoek te raken tussen alles dat om aandacht schreeuwt? Nog even en het brandt weer los: de hardheid in jezelf, de noodzaak om je weer te wapenen. Want wie komt er voor je op als jij het zelf niet doet? Maar nu even niet. Want het is Kerst.

De herders in het open veld steken ook hun lichtjes aan in deze nacht. De nachtploeg ontsteekt een vuur dat warmte en bescherming biedt, terwijl ze de wacht houden over hun kudden en hun collega’s kunnen slapen. Zolang het vuur brandt, blijven beren en leeuwen op afstand. Een omheining van takken met dorens om de kudden heen moet de rest doen. Cirkelend daar omheen, wachten de roofdieren op hun kans. Want: ‘Het donker kunnen we niet wegnemen, maar we kunnen wel een lichtje aansteken.’ Zo is het toch?

III
Ja, zo is het. Met kerst kruipen we bij elkaar als herders rond het vuur. Ook de kerk doet mee. Haar oude muren zijn een degelijke vervanging voor de omheining van takken met dorens, om de kudde heen. Valse romantiek? Om de dooie dood niet. Wij weten van de nacht. Wij zijn niet gek. Wij hebben meer dan eens wakker gelegen om wat is mis gegaan en nog mis kan gaan. Soms kijken we ’s nacht de wereld midden in het gezicht. Dan maalt het door ons hoofd: Hoe lang zal het nog duren voor de gekte losbarst? Maar vannacht is het kerst! En dat willen we weten ook. Hoe groter de onzekerheid, hoe vaster de wil om iets van kerst te gaan maken. En daar hoort ook dit uur bij met de herders en de engelen, die je bijna aan kunt raken. En zeker ook de blijde boodschap, speciaal voor jou en voor wie jou lief zijn: ‘Wees niet bang, want ik kom jullie goed nieuws brengen, dat het hele volk met grote vreugde zal vervullen: vandaag is in de stad van David jullie redder geboren. Hij is de messias, de Heer.’

En toch.., als het dan weer klinkt, valt het toch een beetje tegen wat het met je doet. De dominee doet wel zijn best. Dat is het niet. Alles past in het plaatje zoals het hoort te zijn. Ja, misschien is dat het wel: het past wel, maar het raakt niet! ‘Wees niet bang,’ zegt de engel. Maar dat ben je ook niet. Vannacht niet. Heel vaak wel, maar vannacht niet. We hebben samen zo ons best gedaan met al die lichtjes die we hebben aangestoken, dat zelfs de nacht vriendelijk gestemd wordt. Het straalt er van af. Het donker laat ons deze nacht. En zelfs de hemel wordt het gegund om weer even hemel te zijn en de aloude boodschap te herhalen van vrede op aarde. Het past allemaal, maar het raakt niet. Niet echt.

Misverstand, lieve mensen! Eén groot misverstand! Het stralende licht van de Heer voegt zich niet bij de lichtjes die wij massaal hebben aangestoken. En de nacht gunt het de hemel niet om hemel te zijn. De nacht vlucht! Het stralende licht van de Heer breekt in! Het zoekt ons op omdat het weet dat wij zijn opgebrand; omdat het weet dat heel het spel dat wij vannacht spelen ons niet kan helpen. Dat stralende licht past helemaal niet. Daarom staat dat woordje ‘opeens’ er ook in het verhaal. Daarom is die engel er ook niet een zoals die onze huiskamers bevolken, door ons op de plek gezet. Hij is de boodschapper van wat wij nog niet wisten en ook niet konden weten: dat God van ons houdt om wat we niet hebben aan geloof, hoop en liefde. En dat God komt om ons te redden in dat Kind van Bethlehem. Even weerloos als wijzelf. Op deze God was de nacht niet bedacht. Daarom weet de nacht vannacht niet waar hij het zoeken moet. Zoals jij vaak niet weet waar jij het zoeken moet in een van die vele nachten, zo weet de nacht vannacht niet waarheen hij vluchten moet. De rollen worden omgedraaid. De onderste komt boven.

En wij maar denken: ‘Het past wel, maar het raakt niet.’ En dan blijkt het precies andersom te zijn: Wat ons vannacht overkomt, past in geen enkel plaatje. Maar het raakt ons. En meer dan dat. Het licht zoekt ons op in elke uithoek waarin we zouden willen vluchten. En het houdt niet op om ons op het hart te drukken: ‘Je vlucht is ten einde! Nooit hoef jij meer bang te zijn!’

En nu niet zenuwachtig worden als je het niet na kunt voelen. Want dat gevoel van jou gaat alle kanten op. Je vergaapt je aan de lichtjes die je zelf hebt aangestoken. ‘Gezellig he?’ ‘Ja, het voelt goed!’ Maar het kan ook zo maar omslaan. Dan voelt het leeg en eenzaam en vraag je je af: ‘Mijn God, wat ben ik aan het doen?’ Het goede nieuws voor jou is dat je hier niet op je gevoel hoeft te varen. Wat jou gezegd wordt, dat is waar: ‘Je vlucht is ten einde! Nooit hoef jij meer bang te zijn!’ Er wordt jou niks gevraagd. Er wordt jou wat gezegd: ‘God houdt van jou!’ En in dat hemels licht, dat jou heeft opgezocht, zie jij in een flits de wereld, met alles wat niet is om aan te zien (zoals jijzelf), en je weet ineens dat wat voor jou geldt, voor de hele wereld geldt: ‘Wees niet bang. God heeft lief.’

IV
Wat zal je nog weerhouden om de nacht in te wandelen en de wereld te omarmen, die jouw wereld is? Niet de opgepoetste wereld, niet de blingbling die de geveltjes siert. Maar gewoon de wereld waarin haat en machtswellust mensen in de greep heeft en tegelijkertijd de liefde haar werk doet; de wereld waarin de verschrikkelijkste dingen naar elkaar geschreeuwd worden en de mooiste woorden in het oor worden gefluisterd; de wereld die zich randje afgrond beweegt en de wereld die bezig is zich te vernieuwen. Niemand die jou de garantie kan geven dat het allemaal wel losloopt. En toch wandel je de nacht in zonder schroom. Want er was een engel die zei: ‘Ga maar. Voor jou is heden een bevrijder-en-redder geboren. Je zult een kind vinden in doeken gewikkeld en liggend in een kribbe!’

Ga dus maar. God zelf is je voorgegaan. Hij zal zich laten vinden. Zo veel staat vast. En hoe donker het ook nog mag worden. Nooit zullen we zonder hem zijn.
Amen

One thought to “Preek van de Kerstnacht”

  1. Wat een preek! Het geheel van het kerstgebeuren is aan de orde. Licht en donker. Vreugde en verdriet. En hoop. Heeft niets van een oppervlakkige rutine- preek. Heel veel dank hiervoor!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.