Preek van de Kerstnacht 2017

Jesaja 8, 23 – 9, 6
Lucas 2, 1 – 20

I
Wat is dat toch met deze nacht? Wat trekt er zo? Wie brengt ons hier? Elk jaar gebeurt het ons weer. We kijken er naar uit. We werken er naar toe. En telkens weer blijkt het een nacht te zijn, die gewoon voorbij gaat. Net als andere nachten. Als het kerstfeest eindelijk echt begonnen is (Nu dus!), weet je al dat januari er aan zit te komen. Niet echt iets om naar uit te kijken. In januari rekt zich het donker nog eens lekker uit, terwijl wij juist de feestverlichting weer hebben opgeruimd. Niet aan denken nu. We beginnen net.

Wat is dat toch met deze nacht, dat ze zo aan ons blijft trekken?; dat ze ons hart sneller kan laten kloppen?; dat ze de schil zo dun maakt waarachter wij onze zielenroerselen verbergen? – het kind in ons, het gemis dat we meedragen, onzekerheid over je toekomst en al die andere zaken die je met goed fatsoen maar voor jezelf houdt. Ja, wat is dat toch met deze nacht?

Het is nostalgie, zegt de een. Het is cultuur, zegt de ander. Mensen hebben feesten nodig op z’n tijd, om niet gek te worden van het moeten en het jagen en het slijten aan de tijd. Het leven wil gevierd worden, misschien wel juist omdat het eindig is, breekbaar en uniek. Nostalgie? Cultuur? Zijn dat de drijvende krachten achter het kerstfeest? Of is er nog iets dat er doorheen speelt, zoals een vlammetje dat danst rond de kooltjes in een vuurkorf? Ja, dat verlangen van ons, waar komt dat toch vandaan? Het verlangen dat alles op z’n plek valt. Dat het gewoon goed is. Dat jij er bij hoort zonder de ander iets uit te hoeven leggen. Dat er een vrede is die zo veel meer in zich draagt dan het uitgekauwde woord kan zeggen. Dat verlangen, waar komt het toch vandaan?

II
‘Laat de klokken klinken, die nog klinken kunnen,’ zingt Leonard Cohen. ‘Laat wat jij te bieden hebt maar voor wat het is. Er zit een scheur, een barst, in alles. Dat is hoe het licht naar binnen komt.’ Zou dat het goede nieuws kunnen zijn dat van deze nacht uitgaat en dat alle hoeken en gaten van de tijd weet te bereiken – heden, verleden en toekomst? Dat je niet eerst de scheuren hoeft te dichten, die door de wereld lopen en die ook dwars door jou heen gaan. Dat de barsten, die gesprongen zijn in het perfecte plaatje dat je voor ogen had van jouw eigen leven, niet hoeven te worden weg gewerkt om dit feest te kunnen vieren. Dat ze zelfs nodig zijn om het licht door te kunnen laten.

Keizer Augustus kondigt een decreet af. Een bestuurlijke maatregel om het innen van belastingen in heel het Romeinse rijk te perfectioneren. Niet bedoeld om het algemeen belang te dienen. Maar om alle kleine beetjes, overal vandaan, weg te sluizen naar zijn eigen belastingparadijs, Rome. De maatregel zal vast verpakt zijn in mooie woorden over al het goede dat Rome de wereld gebracht heeft: orde op zaken en vrede op aarde – de Pax Romana. ‘Ik kan niet meer uit de voeten met die wetteloze bende,’ zingt Leonard Cohen, ‘met die moordenaars in hun ivoren torens die voor de bühne mooie woorden prevelen alsof ze aan het bidden zijn.’

Jozef had dit kunnen zeggen. Of Maria. Die had trouwens al zoiets gezongen toen ze zwanger bleek te zijn – Op de kop ermee met die orde! Maar wie ben je als je uit Nazaret komt? Het stadje had geen goede naam in de regio. En had je de mazzel om in Jeruzalem te wonen, dan wist je waarschijnlijk niet eens waar Nazaret lag. Dat is misschien nog wel het meest opvallende, dat het evangelie de namen kent van Jozef en Maria, van Nazaret en Betlehem. Het verhaal begint wel waar je het zou verwachten: in het centrum van de macht, bij Keizer Augustus. In het licht dat van hem afstraalt is nog net Quirinius te zien, zijn zetbaas in de provincie waar ook Nazaret onder valt. Maar ben je eenmaal daar terecht gekomen, dan is er niemand meer die er nog toe doet. Daar wonen de mensen van wie we hoorden in de lezing uit Jesaja: Smadelijk bejegend. Met de nek aangekeken. Het volk dat in duisternis ronddoolt.

Maar wij kunnen onze ogen niet afhouden van twee van hen, Maria en Jozef. Op het wereldtoneel staan ze in de schaduw van Augustus en Quirinius. Ze vallen er in weg. Maar er is een ander licht dat alles precies omdraait. Straks horen we van dat kind, van herders en van engelen. Niet meer van Augustus. Niet meer van Quirinius. En Rome? Wat is Rome als je vannacht ook in Betlehem kunt zijn?

Weet je waarom je daar vannacht rond die kribbe wilt staan, met de herders, in het bijzijn van Maria en Jozef? Waarom voeg je je in dit gezelschap, dat je zelf nooit had uitgekozen, als jij het voor het kiezen had gehad? Verlang je terug naar de ervaring van het kind dat in een oude boerenschuur door een gat in het rieten dak een straal zonlicht naar binnen ziet vallen? En die in dat licht alles om zich heen goud ziet worden: de oude meuk die nergens meer voor dient en het stof dat danst in de lucht. Is het zoiets dat je hier brengt?

Als dat zo is, schaam je er dan niet voor. Soms ligt het evangelie heel dicht aan tegen het verlangen om weer kind te kunnen zijn en je opnieuw te verwonderen. En toch gaat het evangelie er ook weer ver boven uit. Want je hoeft niet opnieuw kind te worden om door het evangelie van deze nacht omarmd te worden. Het is genoeg om niet langer weg te lopen voor de scheuren die in onze wereld zijn getrokken. De scheur, die arm en rijk scheidt. De scheur tussen kansrijk en kansarm. De scheuren in de aarde zelf, veroorzaakt door uitputting en vervuiling. De schaamte erover. Je voelt de pijn ervan in je eigen lijf. Want, mijn God, wat zou je er veel voor over hebben als… Alleen weet je nauwelijks waar je moet beginnen en hoe je helen kunt, als het al niet te laat is.

En dan hebben we het nog niet eens gehad over de barsten in het perfecte plaatje van je eigen leven. De dingen waarvan je nu denkt: ‘Ze moesten het hier eens van me weten!’ Je draagt het in je rugzak mee. Maar het went nooit. En je kijkt wel uit om het met iemand te delen. Want daarvoor is decorum te veel waard. Wie te ver van de perfectie weg raakt, wordt daar makkelijk op afgerekend. In de wereld, aan de voorkant, ja. Bij de zoveelste sollicitatie. Bij de eisen die aan jou gesteld worden, vernuftig en allermooist verborgen in de reclameboodschappen die op jou worden afgevuurd. Maar zo niet rond de kribbe.

Als je deze nacht om de kribbe staat, met mij en met al die mensen hier samen, dan weet je dat je niet perfect hoeft te zijn. De herders staan er ook. De imperfectie straalt van hen af. Gebarsten mensenlevens. Ze hadden de naam zo onbetrouwbaar te zijn, dat getuigenverklaringen van herders voor de rechtbank niet rechtsgeldig waren. Als Rembrandt de aanbidding van de herders schildert, komt het licht uit de kribbe. Het straalt van het kind af en het strijkt over onze gezichten en die van de herders. Het ziet hoe wij er aan toe zijn. Het licht kan zijn werk doen omdat wij er zijn. Met de scheuren, die in de wereld getrokken zijn en die ook in ons zijn gaan zitten. Met de barsten in ons imago. Zonder die scheuren en die barsten kan het licht niets. Het moet door ons heen gaan. Alsof wij vannacht dat oude rieten dak vormen, waardoor het licht naar binnen kwam en het kind in de schuur alle rommel, alle stof, zag veranderen in goud. Het licht moet door ons heen gaan. Het wil breken en verder gebracht worden. ‘Ring the bells that still can ring / Forget your perfect offering / There is a crack in everything / That’s how the light gets in.’

III
Is het niet mooi om te zien hoe in het verhaal van deze nacht ook de hemel zijn perfectie laat varen? Hij scheurt en het stralende licht van de hemel omarmt de nachtploeg van de herders. Soms fantaseren we over de hemel als over een plek waar alle rimpels uit ons leven zijn glad getrokken en onze ziel geen deuken meer kent. Een bestemming voor na je dood. Maar voor het ooit zover mocht komen, besluit de hemel om te scheuren. Om eens en voor altijd duidelijk te maken dat de bestemming van de hemel deze wereld is met zijn diepe scheuren en met de pijnlijke barsten in mensenlevens. Hemels licht omstraalt de herders. Hun rimpels komen nog meer uit. De schrik is groot om alles wat in dit licht open komt te liggen. Alleen, het mag er zijn. Wees niet bang!

De engelen gaan terug naar de hemel, vertelt het verhaal. Maar het zal daar nooit meer zijn als daarvóór. De scheur van deze nacht is door engelen niet weg te poetsen. Het is gebeurd! Het is geschied! (om dat oude woord uit vroegere vertalingen nog maar eens te gebruiken) Het licht raakt nooit meer opgesloten in welke hemel dan ook. Het is bij ons gekomen. Het heeft ons opgezocht. Het straalt ons toe vanuit de kribbe. En het maakt zelfs onze rimpels mooi.

Amen

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *