Preek van de Kerstnacht

Lucas 2, 1 – 20
‘De nuttelozen van de nacht’ – Jacques Brel

I
Ze passen niet echt in het plaatje dat je voor ogen had, hè? Wie zit er nou te wachten op de nuttelozen van de nacht? Je kwam voor het kind, voor de engelen, voor de herders. En bovenal voor jezelf. Voor een rustmoment, waarin alles op z’n plek valt. Voor ‘Stille nacht, heilige nacht’. Daar hoort dit lied van Brel niet bij met die onrustige melodielijn. Het is alsof het met de rug tegen de toog op de achterkant van een bierviltje is geschreven. Je zit er midden tussen als je er naar luistert. God, wat een treurigheid!

‘Hun onmacht is hun hoogste macht. De nuttelozen van de nacht,’ zingt Brel. Met die nadruk, die ze nog meer in de schijnwerpers zet. Je zou ze tegen zichzelf in bescherming willen nemen. Even een andere kant op kijken. Net doen alsof je ze niet hoort. Maar Brel gaat vol voor ze. Misschien omdat hij zich in hen herkent. Dat hij niet in de goot terecht gekomen is, heeft hij te danken aan zijn vrouw Miche en aan zijn vader die hem centen gaf. Net als die nutteloze in het lied.

Hij kijkt naar hen zonder te oordelen. Ze hébben wat. En hij weet wát. ‘Hun onmacht is hun hoogste macht.’  Zo is het ook voor Jozef en Maria. Niet dat ik kroegtijgers van ze wil maken. Maar ook van hen geldt dat je het liefst de andere kant op zou willen kijken. Wat een treurigheid! Kijk ze gaan, die twee. Zij hoogzwanger. En God weet van wie? Hij, die geen kant op kan. Ze hebben niks te koop. We zijn van ze gaan houden. Wat zouden we deze nacht moeten zonder die twee? Maar dat komt wel door hoe Lucas het verhaal vertelt. Hij gaat vol voor ze. We zijn er aan gewend geraakt. We zijn er in mee gegaan. Maar het verhaal spreekt niet vanzelf.

Dat de namenlozen namen krijgen, zit in het hart van het evangelie. Zoals Brel met de rug tegen de toog aan de nuttelozen van de nacht met aandacht volgt, zo volgt Lucas Jozef en Maria. ‘Hun onmacht is hun hoogste macht.’ Voor Lucas heeft hun hoogste macht alles met God te maken. God, die hun onmacht heeft omarmd en daar nooit meer vanaf is gekomen. Een vriend van Lucas zegt het zo: ‘Wat in de ogen van de wereld dwaas is, heeft God uitgekozen om de wijzen te beschamen; wat in de ogen van de wereld zwak is, heeft God uitgekozen om de sterken te beschamen; wat in de ogen van de wereld onbeduidend is en wordt veracht, wat niets is, heeft God uitgekozen om wat wél iets is teniet te doen.’ (1 Kor. 1, 27 e.v.)

En wat wél iets is, dat is in dit verhaal de keizer. Hij heet niet voor niets Augustus. Dat is: Verhevene. Hij leeft het leven waar een mens alleen van dromen kan. En dat soms ook even doet met het eindejaarslot onder de kerstboom. Dertig miljoen. Wie weet. Wie weet. Weg alle zorgen, alle stress. Boven de sores van de wereld verheven. Een beetje als een engel. En waarom zou je je voor zulke dromen moeten schamen? Een van de redenen om vanavond naar de kerk te komen, is dat verlangen naar rust. Even los zijn van het gekrakeel. Vrij van de plicht om alle ballen in de lucht te houden. Want o wee als je ze laat vallen. Zie ze dan maar eens weer terug te vinden. Wie het kent, weet waar ik het over heb. Er is niet zo veel voor nodig om de weg kwijt te raken en je positie te verspelen. Niet dat de mensen om je heen te beroerd zijn om je bij te staan. Goed willend is bijna iedereen. Maar zij zitten allemaal in het zelfde schuitje. Ze moeten jongleren net als jij.

Zo lang het je lukt, schrijf je mee aan de geschiedenis. In de slipstream van Augustus. ‘Hoe gaat het met je?’ ‘Met mij gaat het goed! Ik heb dit. Ik doe dat. Mijn agenda is gevuld vol interessante dingen. En er is veel om dankbaar voor te zijn.’ Misschien stoort dat ons wel in het lied van Brel. Meer nog dan dat het zo ver afstaat van wat je in een kerk verwachten mag. Het leven van de nuttelozen is zo leeg. Het belooft zo weinig meer. ‘Ze bespreken zonder end / De poëzie die geen van hen kent / De romans die geen van hen schreef / De vrouw die bij geen van hen bleef / De grap waar geen van hen om lacht / De nuttelozen van de nacht.’  

Wat zo bijzonder is aan het geboorteverhaal, dat Lucas vertelt, is dat onder het dominante verhaal dat geschiedenis schrijft – het decreet van Augustus, de volkstelling van het Romeinse rijk, de wereld die zich naar hem voegt – een ander verhaal zich ontspint. Het is een verhaal waarin je beter niet voor kunt komen, als jij het kunt voorkomen. Het is het verhaal van Jozef en Maria, van het kind en van de herders, van Betlehem in plaats van Rome. Tegen Rome afgezet is Betlehem is drie hoog achter. In het grote verhaal van ‘Ik red me wel!’ komen ze niet voor. Ze figureren niet eens. Ze kunnen alleen maar afbreuk doen aan het succesverhaal van ‘Met mij gaat het goed!’ Maar in dat andere verhaal dat zich in de schaduw van de geschiedenis ontspint en zich inweeft, zijn zij de hoofdpersonen. De nuttelozen van de nacht krijgen een naam. Niet omdat ze mooi zijn of zielig. Maar omdat de hemel zijn ogen niet van hen af kan houden.  

Dat is ook wat ik u vanavond mee wil geven. Dat de hemel zijn ogen niet van u af kan houden. Dat u niet in een hemel gelooft, doet daar niets aan af. De hemel gelooft wel in u. Liefde is een raar ding. Ze trekt zich niets aan van wat wij zeker weten. Ze is de dragende kracht onder ons. Ze is de nachtelijke hemel boven ons. Ze is de inspiratiebron voor dat andere verhaal dat de aandacht weg haalt bij het verhaal waar ieder mens aan moet geloven, het verhaal waarin je alleen maar voorkomt als je verheven bent boven mislukkingen en falen. Of in ieder geval nog kunt doen alsof. Dat is de innerlijke tegenstrijdigheid van het kerstfeest. Iedereen hunkert naar echtheid, maar is bang voor breekbaarheid en voor het eigen tekort. Je wilt dat verlangen naar vrede en zusterschap niet opgeven. Maar je denkt dat het een plekje moet krijgen in het enige verhaal dat er echt toe doet, het verhaal van ‘het gaat goed!’ en ‘zie mij eens!’. Want God verhoede dat je daar uit keldert! En zo eindigt die hunkering naar echtheid elk jaar weer in een plastic toneelstukje.

Dát is wat hier weersproken wordt. Dat is waarom de nuttelozen van de nacht thuis zijn in deze kerstnacht. Met hun buitenkant waar iedereen doorheen prikt. Met hun praatjes waar niemand een cent voor geeft. Zij zelf niet in de eerste plaats. Maar hun hunkering is echt, ondanks de alcohol: ‘Laat ons huilen lijf aan lijf’ Ze proberen in de kleine uurtjes een ander verhaal uit dan het dominante verhaal. Want ze weten zelf ook wel dat ze daar al lang uit gevallen zijn. Maar hun nachtelijk verhaal blijft hangen als een langspeelplaat met een kras. Het komt niet verder. ‘Hun onmacht is hun hoogste macht / De nuttelozen van de nacht’

Zijn zij niet de eersten die worden opgepikt door dat andere verhaal dat niet blijft hangen maar wordt doorverteld?: dat van Jozef en Maria en het kind, dat van de herders en de engelen, en van Betlehem drie hoog achter in de geschiedenis. Wie denkt nog aan Augustus en aan zijn decreet? Wie wil er nog in Rome zijn? Wie herinnert zich nog Quirinius, die het bewind over Syrië voerde?  Niemand. Als een veenbrand vertelt het kerstevangelie zich verder. Het smeult ondergronds. Je denkt dat alles onder controle is. En dan ineens slaat de brand weer uit! Zoals van liefde de vlammen af kunnen slaan, zo breekt het licht in in de nacht. Het laat niets heel van alles dat verdoezeld wordt in het grote verhaal van ‘Ik kan me goed redden’ en ‘zie mij eens’. Ja, het zíet ons. Het ziet onze stress. Het ziet onze vermoeidheid, de eenzaamheid van onze worsteling om maar te kunnen blijven roepen dat het goed met ons gaat. De fik erin! Het vuur van Gods liefde.

Zoals de herders het hebben ervaren. Ja, zij werken wel voor de centen. De boeren kunnen niet zonder deze nachtarbeiders. En toch mag je ze scharen onder de nuttelozen van de nacht. Volk waar een fatsoenlijk mens zijn gezicht bij weg draait. In het rechtssysteem van die dagen was hun vaste plek de beklaagdenbank. Getuigen mochten ze niet. Een herder als getuige oproepen was nutteloos. En neem maar gerust aan dat deze beroepsgroep het daar naar gemaakt had. ‘De gelegenheid maakt de dief,’ zegt het spreekwoord. En dat zegt het niet voor niets. De nacht biedt vele kansen. We hebben behoorlijk aan ze moeten schaven, vóór we ze een plekje gunden in ons kerstverhaal. ‘De herdertjes lagen bij nachte.’ Ja, ja…

De hemel schaafde niet aan hen. De hemel omarmde hen met licht, dat zich niet weg laat sturen door wat we het liefst in het donker zouden houden. De hemel maakte deze herders tot de eerste getuigen van het grote nieuws dat God mens geworden is in het kind van Betlehem. Te belachelijk voor woorden. Dat geldt voor allebei! En schokkend is het ook. Dat ligt besloten in dat ene woord ‘opeens’. Wat hier gebeurt ligt niet in het verlengde van vroomheid of godsdienstigheid. Hier houd je op om over God te praten. Hier gebeurt God aan jou. Van het een op het andere moment ben jij niet meer dat weg gestopte mensenkind in het grote verhaal van succes en spelen dat het goed gaat. Je doet mee in een ander verhaal, waarin je vooruit kunt met de blutsen in je biografie en met wat onherstelbaar mis ging in je leven. Je wandelt door de nacht zonder bang te zijn. Tot je jezelf terug vindt met al die anderen rond de kribbe en het Kind van Betlehem. ‘Hun onmacht is hun hoogste macht / De nuttelozen van de nacht.’

Leg de lat dus niet te hoog deze dagen. Probeer het niet te mooi te maken. Je bent goed genoeg. God heeft je al lang gezien. Niet van ver vanuit de hemel boven. Daar woont alleen Augustus, de Verhevene, samen met jouw opgeblazen ‘ik’ en dat van anderen. Nee, God heeft jou al lang gezien. Hij kijkt ons aan met de ogen van het kind, dat onderweg geboren werd en dat voor altijd weet van kwetsbaarheid en van tekort. Amen

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.