Preek van de Kerstmorgen 2017

Jeremia 23, 5 – 8
Johannes 1, 1 – 14

I
Kerst! Dat is het kind in de kribbe. Dat zijn Maria en Jozef in de stal. Dat zijn de herders in het veld en de engelen in de nacht, die ons de vrede aanzeggen. Kerst! Dat zijn wij, die willen schuilen in dit verhaal. Zoals een kind de veiligheid zoekt in de schoot van een moeder. Wat is het heerlijk om even met de rug naar de wereld te kunnen staan. Eigenlijk is het jammer dat de Kerstnacht nu al weer is ingehaald door de Kerstmorgen. Maar ja, zo gaat dat met de dagen en de nachten. Je had dat magische gevoel best nog even vast willen houden.

Ja, het is wel afkicken. We hebben niet voor niets een half uur kerstliederen kunnen zingen, voorafgaand aan de dienst. Want in de liturgie is geen herder meer te bekennen. De stal is al weer opgeruimd. Alleen de engelen zijn er nog. Daar staan ze (de cantorij). ‘Ere zij God in den hoge, en vrede op aarde voor mensen van zijn welbehagen,’ zongen zij als Gloria. Maar het voelt als net niet echt. Het is gewoon wat we gewend zijn om te zingen op bijna elke zondag door het jaar.

Zelfs het evangelie werkt niet echt mee. Wie wordt er met kerst nu blij van Johannes 1? Onze ziel staat er niet naar. Het voelt net alsof we het paradijs zijn uitgejaagd. Weg bij de kribbe. Weg uit de Kerstnacht. ‘Bij begin (Gen. 1,1) is er het spreken geweest,’ zegt Johannes, de evangelist. Ik weet alleen niet of u het ook horen wilt. Misschien hebt u aan welk spreken dan ook even geen behoefte. Het bekende dat wij wel dromen kunnen, is goed genoeg voor vandaag.

II
Dwars door onze droomwereld heen, spreekt vanmorgen het evangelie. Het vraagt niet of wij er wel behoefte aan hebben. Het schiet ons aan. Het spreekt ons toe. Maar het doet geen enkele moeite om de kerstnacht nog wat voor ons op te rekken. ‘Hé, jij daar. Jou bedoel ik! Jij hoeft niet terug te kruipen in een oud verhaal om mij te kunnen vinden. Ik kom wel naar jou toe.’

‘Bij begin (Gen. 1,1) is er het spreken geweest.’ Dat klinkt net even anders dan ‘In het begin was het Woord’ – die openingszin van het Johannesevangelie, die elk jaar klinkt op de kerstmorgen. En elke jaar opnieuw denk je: ‘Man, doe niet zo moeilijk!’ ‘In het begin was het Woord’. Bij het begin denk je aan een grote stilte. Vlak voordat het theater losbarst van de wording van de kosmos. Gas – Licht – Botsende atomen – Ongekende oerkrachten – Samenklonterende materie – Een uitdijend heelal. Je denkt aan alles. Behalve aan een Woord met een grote W. Als wetenschappers het spoor volgen naar dat eerste begin, houden ze hun adem in. Wat moet je zeggen als mens die nog maar net komt kijken? Sprakeloos word je er van. Hoezo het Woord in het begin?

‘Bij begin (Gen. 1,1) is er het spreken geweest,’ vertaalt de Naardense bijbel. Daar wordt het niet inzichtelijker van. ‘In het begin was het Woord,’ kun je nog lezen als een diepzinnige filosofische gedachte uit het begin van onze jaartelling. Niemand die het echt begrijpt. Maar het voordeel daarvan is weer dat je er van alles in kunt leggen aan betekenis. Je zou bijvoorbeeld kunnen denken dat de Big Bang zin heeft gehad. Of dat achter het kosmische circus een onzichtbare hand een spel aan het spelen is, met een verhaal dat nog ontcijferd moet worden.

Maar de evangelist Johannes is niet zo van de filosofische principes. En hij zoekt ook niet naar God achter de krachten van de natuur of naar een antwoord op de vraag wat er was voor het begin? Hij is meer van de verwondering. Dat je er bent als mens! Je kijkt naar de zon, de maan en de sterren en geeft ze namen. Je stelt niks voor en tegelijk ben je alles. Daar sta je, groot en klein te wezen tegelijk. Jij, kleine mens, het midden van alles! En niet omdat jij van nature zo bijzonder bent. En ook niet omdat je het niet verdragen kunt dat je niet meer bent dan een klompje sterrenstof. Er is iets anders. De waanzinnige gedachte dringt zich aan jou op dat er van jou gehouden wordt, dat jij gekend bent.

III
Die waanzinnige gedachte is het begin van alles voor Johannes. Hij zoekt het begin niet vóór het ontstaan van de wereld. Het begin is niet het moment dat de tijd begon te tikken, die vandaag nog gewoon doortikt. Het begin is nu. Het begin ben jij. En dat telkens opnieuw. Want er wordt van jou gehouden. Dat zit in dat spreken. Denk aan een moeder die liefdevol haar kind bij de naam noemt, zodat het ‘ik’ kan leren zeggen. Zodat het zich kan gaan verwonderen: Hoe bestaat het dat ik besta? Om met kerst de vrede van de hemel en de aarde te kunnen ervaren, hoeven we niet terug te kruipen in het verhaal van het kind in de kribbe, de herders in het veld en de engelen in de nacht. Het mag wel. We kunnen het toch niet laten. Maar het is niet noodzakelijk. Want de vrede komt naar ons toe. ‘Het spreken is vlees-en-bloed geworden en heeft bij ons zijn tent opgeslagen; wij hebben zijn glorie aanschouwd, een glorie van een eniggeborene van bij een Vader,- vol van genade en waarheid.’

Dit spreken is geen waarheid waar je een leven lang mee verder kunt. Dit spreken is geen betoog waarin alles op zijn plek valt en elke vraag een antwoord heeft. Vlees-en-bloed is het geworden. Het heeft bij ons zijn tent opgeslagen omdat het jou zoekt. Het hoge woord moet er uit: Dit spreken heet liefde. Eigenwijs en zelfverzekerd staat het in het midden van alles. En het is het begin van alles. Als je dan toch over een leidend principe wilt spreken, dan is het dit beginsel: Er wordt van jou gehouden. ‘Bij begin (Gen. 1,1) is er het spreken geweest’ Dat begin was niet ooit eens. Dat begin is nu. En altijd opnieuw nu. Het spreekt jou aan. Het tilt jou op tot grote hoogte.

Hoe groot? Nou zo groot, dat het spetterend begin van een uitdijend heelal ondergeschikt is aan dat spreken. Dat is een waanzinnige gedachte. Mens, wat verbeeld je je? Je komt nog maar net kijken! Je bent een hoopje sterrenstof! Dat mag allemaal waar zijn. Maar ik verbeeld me van alles. Ik verbeeld me dat er van mij gehouden wordt. En dat er niets groters is dan dat.

IV
In de profetie van Jeremia wordt de geboorte van een rechtmatige telg aan Davids stam aangekondigd. Hij zal wijs beleid voeren en in het land recht en gerechtigheid handhaven. De kerk heeft om het hardst geroepen dat het hier over de geboorte van Christus zou gaan. Herken je het feest, dat het kind in de kribbe zijn handen naar jou uitstrekt, in deze profetie van Jeremia, dan is daarvoor alle ruimte. Het kerstfeest en deze profetie getuigen beide van het spreken, van het grote beginsel, dat er van ons gehouden wordt en dat die liefde telkens opnieuw alles nieuw maakt. Er is geen christelijke waarheid naast een joodse waarheid. En er is zeker geen christelijke waarheid boven een joodse waarheid. Elke keer als wij ons verwonderen over de liefde die ons heeft opgezocht, worden we uitgedaagd om daar woord aan te geven. En dat is iets anders dan een uitgekauwde hogere waarheid.

In de profetie van Jeremia gebeurt dat ook. Er zal anders over God gesproken worden: ‘Daarom, de dag zal komen – spreekt de HEER – dat er niet meer wordt gezegd: “Zo waar de HEER leeft, die het volk van Israël uit Egypte heeft bevrijd,” maar: “Zo waar de HEER leeft, die de nakomelingen van Israël uit het land van het Noorden heeft bevrijd en uit de andere landen waarheen hij hen verbannen had.” Dan zullen ze weer in hun eigen land wonen.’

Het wonder blijft zich maar voltrekken. ‘Vroeger woonde God in de hemel,’ zei een van de mensen met wie ik deze overweging heb voorbereid. ‘Nu woont God voor mij daar waar liefde woont.’ Ze heeft de nachten gekend waarin ze geen hand voor ogen zag. Zoals dat voor Jeremia geldt in de dagen van zijn profetie. Ze heeft naar woorden gehunkerd, die haar even bevrijdden uit de gevangenis van grote zorgen en malende gedachten. Je bed uit. De nacht in. En in die nacht gewezen worden op alles wat er nog meer is dan jouw zorgen en vastgelopen gedachten. Een mens naast je hebben in de nacht, die zegt: ‘Kijk, ziet je dat daar?’ Vroeger woonde God in de hemel. Nu woont God voor mij daar waar liefde woont. Het is die liefde, die je mag ervaren, die jou uitdaagt om steeds opnieuw woorden te vinden voor deze God.

V
We hoeven niet terug naar de Kerstnacht. Hoe mooi die ook was bij kaarslicht. We hoeven niet te wanhopen als straks de feestverlichting in de stad weer wordt opgeruimd. Onze nacht, waarin wij soms verdwalen omdat het leven te veel van ons vraagt en de wereld geen idee heeft hoe erg ze er aan toe is, is de plek waar God ons bij name roept en wij dan worden opgetild tot grote hoogte. Wij zullen leren leven zonder grote antwoorden. Wij zullen ons verwonderen over dat we er mogen zijn. En meer dan dat: dat wij als nieuw geboren leven mogen. Leve jij! Leve de gemeente! Leve de wereld! Vrolijk Kerstfeest!

In de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest. Amen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *