Preek van de Kerstmorgen

Johannes 1: 1-14 / Lukas 2: 15-20

I

Waarschijnlijk heeft u het wel gezien maar hier onder de preekstoel staat een prachtige zelfgemaakte kerststal.

En als je gisteren bij de kinderkerstnacht was had je helemaal geluk, want toen stond hier een levensgrote kerststal, inclusief ezeltje Eppo.

Ik denk dat de verbeelding van de kerststal, bij ons allemaal direct die gevoelens van kerst oproept.

Jozef en Maria, de kribbe in het midden – helder verlicht – en de herders, wijzen en dieren die zich er omheen verdringen om een blik op het kindje Jezus te werpen. Duidelijker kerst, kan bijna niet.

En toch…

Een paar weken geleden nog liep ik op een kerstmarkt in Duitsland,

en tussen alle kraampjes met kerstballen, glühwijn en gebreide mutsen, was er ook een soort sprookjesbos.

En daar te midden van de verbeelding van het sprookje van Hans en Grietje en het huisje met de zeven dwergen stond óók een kerststal.

Het beeld is zo bekend, dat het eigenlijk niet meer verrast.

Het kerstverhaal is sprookjesachtig en romantisch, maar vaak alles behalve verassend, schokkend of ongewoon.

En toch, is juist dat precies wat het kerstverhaal is.

God die mens werd, geboren als een baby… dat zet alles op zijn kop.

II

En ik denk dat het juist ook dat vreemde, ongewone en verassende is wat de Herders in beweging zet.

Ze horen van de engelen over de Messias die gekomen is en tegelijk over een pasgeboren kind in een stal in Bethlehem.

Waarschijnlijk twee dingen waarvan ze niet direct wisten hoe ze die met elkaar in verbinding moesten brengen, maar onder de indruk van wat ze hebben gehoord, haasten ze zich naar Bethlehem, dit moeten ze met eigen ogen zien!

En zodra ze dan het kind vinden in de voerbak, lezen we hoe ze niet meer kunnen stoppen met praten over wat de engel hen heeft gezegd en wat ze met eigen ogen hebben gezien. De aanblik van het kind in de kribbe, de Messias – de redder  van de wereld – liggend in een stal, zet alles wat ze dachten te weten over God op zijn kop.

En dat is ook wat de schrijver van het Johannes evangelie beseft. Woorden schieten bijna tekort, als hij schrijft over het Woord dat mens geworden is. Het Woord dat er vanaf het begin was, en waardoor alles is ontstaan, is vlees en bloed geworden.

III

En zoals die schrijver van het Johannes evangelie en de herders zoeken naar woorden om recht te doen aan wat er is gebeurt, zo hebben wij soms ook nieuwe woorden of beelden nodig die ons met een andere blik naar het kerstverhaal laten kijken.

Woorden die raken aan het eigenlijk niet te bevatten nieuws van de God van hemel en aarde, die ervoor koos om tastbaar en aanraakbaar onder ons te wonen.

Voor mij hielpen de woorden die op de voorkant van de liturgie staan. Het is een vertaling van Johannes 1: 14, “The Word became flesh and blood an moved into the neighbourhood”.  “Het Woord werd vlees en bloed en kwam in de buurt wonen.”

Hier in de hortusbuurt, maar ook in de korrewegwijk, in de schildersbuurt en in helpman. God de schepper van alles, die aan het begin en het einde van de wereld staat. God die al ons kennen overstijgt, daalde af en werd mens.

Vlees en bloed, hij kroop in onze huid, hij trekt in in onze buurt en leeft onder ons en met ons.

IV

Dat zet alles op zijn kop en doorbreekt de scherpe scheidingslijn die we vaak trekken tussen het goddelijke en hemelse en het aardse.

God verliet al de schoonheid en het comfort van de hemel voor de rauwheid en de worsteling van het leven hier op aarde.

Jezus werd geboren in bezet gebied, eerst dakloos, later een vluchteling en opgroeiend in een buurt waarvan men zei ‘dáár kan niets goeds vandaan komen’.

Jezus verscheen op de meest kwetsbare manier en op de meest onverwachte plek.

En dat doet hij nog steeds.

God houdt zich niet onverschillig op afstand, hij laat zich niet alleen kennen wanneer we een bepaald spiritueel level hebben bereikt, en hij is niet alleen aanwezig in de kerk of te vinden in hogere sferen.

Nee, God is al aanwezig in onze buurt, hij woont bij ons op de hoek van straat. Niet een God van ver weg, maar een God van dichtbij. Betrokken op ons dagelijks leven, op ons werk en op ons gezin.

Heel concreet,

…ook op de minder perfect momenten wanneer we onszelf tegen vallen, in het alledaagse of het weinig opzienbarende, in de rauwheid en teleurstellingen van het leven, en ook in onze worstelingen, verwarring of vertwijfeling.

Ja, juist daar is God met ons.

Iemand zei eens ‘We moeten ervoor oppassen dat we op onze weg omhoog, naar meer succes, zekerheid of welvaart, Jezus niet tegenkomen op zijn weg naar beneden’.

Niet voor niets waren het de herders die als eerste van de geboorte van Jezus hoorde en op kraamvisite kwamen, het uitschot van de maatschappij, ongeletterd en ongemanierd, onruststokers, soms zelfs crimineel.

En ook tijdens zijn leven was Jezus niet te vinden bij de rijke elite, bij de farizeeën die de waarheid in pacht dachten te hebben, nee Jezus koos ervoor om te zijn bij de armen, de zieken, de vreemdelingen, bij hen die werden bestempeld als buitenstaander of zondaar.

En dat is hij nog steeds. Jezus is bij de mensen op wie wij vaak neerkijken en heeft aandacht voor hen, voor die vreemde collega of die bijzondere vrouw uit de buurt.

Hij verblijft aan de randen van onze samenleving, in de buurten waarvan iedereen zegt ‘daar kan niets goeds vandaan komen’.

(Of met de woorden van Johannes…)

“Het Woord was leven en het leven was het licht voor de mensen. Het licht schijnt in de duisternis en de duisternis heeft het niet in zijn macht gekregen. Het Woord werd vlees en bloed en nam haar intrek in de buurt.”

Jezus doorbreekt grenzen, hij neemt zijn intrek in de meest onverwachte plekken, daar maakt hij zich thuis, daar ontmoeten we hem.

En dat geldt ook voor ons eigen leven.

Jezus bevindt zich dus niet boven aan de ladder van succes en perfectie, maar staat beneden op de grond, waar hij met ons wil zijn, zoals we zijn… met ons sterke en zwakke kanten, in onze hoogte en diepte punten.

En daarin toont hij ons Gods hart. Johannes zegt ‘niemand heeft ooit God gezien, maar de enige Zoon, die zelf God is, die aan het hart van de Vader rust, heeft hem ons doen kennen’.

God die de rauwheid en de teleurstellingen van het leven niet uit de weg gaat, maar juist daar ons ontmoet. Die op ons betrokken is en in ons leven aanwezig wil zijn met Zijn liefde en licht.

V

Iemand schreef pas ‘Jezus die mens werd zoals wij…? Nee, gelukkig niet’.

Als mensen zijn we er namelijk vaak veel meer mee bezig om te zijn zoals God, om alles te kunnen, overal tegelijk te zijn, alles mee te maken, en voor iedereen aandacht te hebben. Maar juist daarin lopen we tegen onze grenzen aan of vallen we onszelf vaak tegen.

Misschien herken je het wel die angst van ‘als iemand me zo zou zien, of als iemand dit zou weten…’

En we hebben allemaal wel een beeld wat we het liefst van onszelf laten zien. Succesvol, zelfverzekerd, gelukkig, onafhankelijk, of aardig gevonden door iedereen.

Maar het risico is dat dat zo’n druk met zich mee brengt, dat we onszelf én God voorbij lopen.

En juist dan is het een troost dat we in het kind in de voerbak, een mens tegen komen die zich niet druk maakte of hij wel goed genoeg was om aan die illusies te voldoen, die zichzelf niet als God achtte, maar die in onze huid kroop en ons leert wat het betekend om echt mens te zijn,

vrij, vertrouwend en met de ruimte om lief te hebben.

VI

En tegelijk, juist omdat God de gedaante van een mens aan nam, intrek nam in onze buurt, in onze huid kroop, ja, vlees en bloed werd…, is het menselijk vlees en bloed heilig gemaakt.

Doordat God deelde in onze armoede en gebrokenheid, delen wij door zijn Geest in zijn rijkdom en heiligheid.

En zoals het heilige en het aardse samen kwamen in een koude en stinkende stal, zo komen het heilige en het aardse nog steeds samen in onze buurt, wanneer we opmerkzaam worden voor Gods aanwezigheid.

Voor God die aan ons verschijnt in de ander, voor kleine tekenen van licht en hoop, voor de schoonheid van de schepping, voor zijn aanwezigheid in de liefde en het vertrouwen tussen mensen onderling.

VI

En zo verlangt God er ook naar om door ons aanwezig te zijn in de buurt.

Hij nodigt ons uit om mens te worden zoals hij. Vrij, vertrouwend, met ruimte om lief te hebben en met open oren en ogen voor de mensen om ons heen. Juist voor hen aan wie vaak voorbij wordt gelopen.

Daarmee ligt er voor ons de vraag hoe wij aanwezig zijn in de buurt als tekenen van Gods aanwezigheid en licht.

Wie zijn we in ons contact met onze buren, hebben we oog voor het wel en wee van onze collega’s of studiegenoten, of hoe staan we als gezin open voor anderen?

Het is in de kleine dingen dat we het licht de ruimte geven.

Het licht wat leven geeft, wat de duisternis uiteenjaagt en wat door geen duisternis ooit kan worden uitgedoofd.

Amen.  

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.