Preek bij de expositie ‘Credo – geloven op scherp’ van Henk Pietersma in de Martinikerk

Lucas 24, 13 – 35

I
Op de omslag één van de 76 kunstwerken van Henk Pietersma, samen gebracht in het boek ‘Credo – Geloven op scherp’. Met de daarbij horende gedachten. En nu geëxposeerd in de kooromgang van deze kerk. Oude woorden uit de liturgie van de kerk worden opnieuw tot spreken gebracht door middel van beelden en woorden die je uitnodigen je eigen gedachten te laten gaan. De afdruk op de omslag is van het schilderij op de liturgische tafel. Het is getiteld: ‘secundum scripturas’. Twee woorden uit het Credo uit de Rooms-katholieke liturgie: ‘et resurrexit tertia die, secundum Scripturas’ – ‘Hij is opgestaan op de derde dag, volgens de Schriften’.

Vandaag is het de tweede paaszondag. In dit Lucasjaar lezen we het verhaal van de Emmaüsgangers. Het verveelt nooit. Waarschijnlijk doordat het jou als hoorder niet buiten spel zet. Je wordt het verhaal als het ware in getrokken. Er worden geen antwoorden afgeleverd waardoor het klaar is. Alleen als reisgenoot van de Emmaüsgangers kan ‘het laatste woord’ uit de begeleidende tekst van Henk Pietersma klinken. Dat woord, dat alles overstijgt. En zeker alle sluitende antwoorden. Het mooie van het verhaal van de Emmaüsgangers is het dat jou nadrukkelijk uitnodigt om in het verhaal te stappen en mee te gaan op weg naar Emmaüs. Want net als het witte doek op het schilderij van Henk Pietersma, dat voor mij de Schriften symboliseert, is de naam van een van de twee leerlingen in het verhaal oningevuld. Die ene heet Kleopas en die andere ben jij. Vul dus je eigen naam maar in.

II
‘Ik wil naar huis en bij jou zijn,’ schrijft Henk Pietersma. Als die jij de Schriften zijn, weet je zeker dat het om een levend woord gaat. Niet om religieuze taal waarop het stof van de eeuwen is neergedaald. Een levend woord als een geliefde. Zoals die derde reiziger die de leerlingen achterop komt. Jezus zelf. Hij wordt door de twee aangeklampt als de avond valt. ‘Kom met ons mee naar huis. Blijf alsjeblieft.’ De reiziger, die Jezus zelf is, was onderweg met hen door de boeken van Mozes en de Profeten heen getrokken. En de woorden waren voor de twee gaan leven. Ze gingen over hen. Zoals het verhaal van de Emmaüsgangers over ons gaat als wij er in durven stappen. De woorden van Mozes en de Profeten begonnen voor hen te leven omdat de Levende zelf die aan het uitlegde. Geen weetjes. Niet ‘dit betekent dat’. Nee, Jezus is zelf het hart van de Schriften. Hij is in staat dode woorden tot leven te wekken. Zoals liefde in staat is om de meest stijve hark te laten glunderen en dansen en leven. ‘Ik wil naar huis en bij jou zijn’

Je vraagt je af hoe het kan, dat ze Jezus onderweg niet hebben herkend. Ja, hun blik werd vertroebeld, zegt het verhaal. Er staat dat er macht wordt uitgeoefend over hun blik. Tranen van verdriet, zou je kunnen denken. Verdriet kan een waas over alles leggen. Maar als Jezus vraagt wat er gebeurd is, zet Kleopas de feiten voor hem op een rijtje. Helder als glas. Er is niets wazigs aan. Nee, het zijn de feiten die macht uitoefenen over hun blik. En niet een plaaggeest, een duiveltje, of een God die met zijn mensen speelt. In het licht van de feiten bestaat de opstanding niet. En wring jezelf vooral niet in allerlei bochten door jezelf en anderen op te leggen om te zeggen: de opstanding is gewoon een feit.

De opgestane is een vreemdeling voor Kleopas. En zeg nou niet: ‘Kleopas, kijk eens wat beter uit je ogen!’ Want die scherpe blik is er wel, gezien zijn heldere samenvatting van de gebeurtenissen. Zeg niet: ‘Je ziet toch zo dat het Jezus is!’ Want, nee, zo zie je dat niet. Niet vanuit de feiten bezien. De feiten zeggen dat hij een vreemdeling is. En dat komt dichter in de buurt van de waarheid dan de gelovige die zegt: ‘Natuurlijk is dat Jezus!’ Want er is niets natuurlijks aan de opstanding. Pasen is en blijft een vreemd verhaal. Ook als wij belijden dat dit verhaal de grond van alles is en het fundament van de kerk.

Jezus legt hen onderweg de Schriften uit. Niet van: zo zit dit en zo zit dat. Geen feiten op een rijtje. Maar stemmen die protest aantekenen als mensen worden gedegradeerd tot gebruiksmiddel. Stemmen die zeggen wat iemand nog nooit had gehoord: ‘Jij doet er toe. Beeld en gelijkenis van God ben jij.’ Stemmen die vertellen dat God is afgedaald omdat hij de schreeuw van hen die hongeren en dorsten naar gerechtigheid, niet meer kon weerstaan. Kortom: Mozes en de profeten.

‘Moest de messias al dat lijden niet ondergaan om zijn glorie binnen te gaan?,’ vraagt Jezus. Ja, als de feiten hun gang gaan, dan moest het wel zo aflopen met Jezus van Nazaret. Want zij die het voor het zeggen hebben zitten niet te wachten op de stem van Mozes en de profeten. Korte metten wordt er mee gemaakt. Dat is een feit van alle tijden. Maar tegen die stroom in weeft zich een verhaal van een God, die de vergadering van de goden liet voor wat het was om bij mensen te zijn zonder glans, zonder gestalte. En ook in dat verhaal geldt: Ja, zo moest het gaan met de messias. God wilde niet ontsnappen aan waar geen ontsnappen aan is voor mensen aan de onderkant: de wereld van lijden, duister en dood. Hij wilde bij hen zijn. Zo sprak hij zijn oordeel uit over deze wereld en zijn feiten. Niet van bovenaf maar van binnenuit.

Die glorie van God moet je dan ook niet te ver zoeken. Het is daarmee precies zo gesteld als met de geboden van Mozes: ‘Gods glorie is niet in de hemel, zodat u zich af moet vragen: hoe kom ik daar? En Gods glorie is niet aan de overkant van de peilloos diepe zee, zodat u denken moet: ze is voor mij niet weggelegd.’ (vrij naar Deuteronomium 30 vers 11 e.v.) Dichtbij is Gods glorie. Van binnenuit glanst ze ons tegemoet en omarmt ze ons. ‘Brandde ons hart niet toen hij onderweg met ons sprak en de Schriften voor ons ontsloot?,’ zeggen de leerlingen tegen elkaar. Was dat niet Gods glorie die zich daar openbaarde?

III
Wat zien we in het schilderij van Henk Pietersma? Iedereen ziet vast wat anders. En vandaag zie je misschien wat anders dan morgen. Bijvoorbeeld omdat we vandaag kijken vanuit het perspectief van de Emmaüsgangers. Ik zie de boekrol van de Thora of van de Profeten. Ik zie twee mensfiguren, links en rechts. Of is die derde ook een mens, voorover op de aarde? Daaronder kleurt het wit. Het wit van de Paastijd. Het wit van de opstandingsverhalen. Is het de mens die bezig is op te staan? Of is het de mens in Gethsemane, in zijn angstig gebed: ‘Vader, als u het wilt, neem dan deze beker van mij weg.’  Is dat het laatste woord; de waarheid van een God die het lijden van de wereld tot het zijne maakt? Wie zal het zeggen? Jij mag het zeggen.

Deze week was ik op bezoek bij Sietze den Iseger aan de Ulgersmaweg. Sietze is de bezielende kracht achter de HulpExpress. 25 mensen heeft hij onder zijn hoede. Ze klussen, repareren, verhuizen, ruimen voor mensen in deze stad die niks te makken hebben. Ze doen het met een budget van €60000 per jaar. Vier jaar geleden is Sietze er mee gestart. Hij had zichzelf op een idee gebracht door op zijn scootmobiel door Beijum te gaan en kleine klusjes te doen en diensten te verlenen voor mensen als hijzelf: getekend door het leven, vechtend voor vreugde, op zwart zaad. Hij vond vreugde in de blikken die mensen hem terug gaven. Sietze pitchte voor de Gemeente Groningen en zijn verhaal kwam binnen. Zo is drie jaar geleden de HulpExpress geboren. Misschien hebt u de karretjes wel eens zien rijden met in stripstijl het markante hoofd van Sietze er op als een soort Superman.

De mensen, die hij onder zijn hoede heeft, hebben stuk voor stuk deuken opgelopen aan het leven. Ze zijn en hebben vaak zichzelf in onmogelijke posities gebracht. Plat op hun gezicht zijn ze gegaan. Zoals het Sietze zelf ook is gebeurd. Het ontroert me diep om te zien hoe hij zijn mensen coacht, confronteert en troost. Hoe daar aan de Ulgersmaweg op de werkvloer een gemeenschap ontstaat waarin mensen zichzelf terug vinden. En hoe ze, zonder uitgeschreven missie en visie, andere mensen weer hun waardigheid terug geven en levensvreugde delen.

Het gaat tegen alle economische wetten in. Sietze doet zijn werk met behoud van uitkering. Net als al zijn mensen. Een enkeling heeft een participatiebaan. Sietze hoeft er niets aan te verdienen. Hij wil alleen dat het project door kan gaan, als hij er niet meer is. Voor €60000 per jaar breekt een nieuwe werkelijkheid zich baan, waarin geen mens wordt uitgesloten. Voor zichzelf heeft Sietze niet meer nodig. De gaten in zijn eigen bestaan, de wonden die hij heeft opgelopen, worden genezen door wat hij ziet gebeuren bij zijn mensen: de groei, de vreugde, de gemeenschap. Hij ervaart dat als genade. Hij is er niet op uit zijn eigen gaten op te vullen. Maar het gebeurt hem alledag. Zo wordt een mens genezen. Zo staat een mens op uit zijn angsten en uit zijn bitterheid. Zo wordt de beker die je helemaal leeg hebt moeten drinken tot de beker die rondgaat aan de tafel waaraan een nieuwe wereld wordt gevierd.

IV
Als Jezus het zegengebed uitspreekt en het brood met ons breekt en ons de ogen worden geopend en wij hem herkennen, wordt hij onttrokken aan onze blik. Wat jammer nou. Of nee, toch niet. Want anders zouden we hier blijven. En nog eens inschenken. En nog eens. Tot hij blijft logeren. Of mooier nog: bij ons intrekt.

Maar nu weten we dat we er op uit mogen, dat deze stad Gods stad is. En dat de velden wit zijn om te oogsten, om te delen dit laatste woord, deze waarheid. In de geest van Sietze. Want in zulke mensen laat de Levende zich zien. In de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest. Amen

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.