Paaspreek – Zondag 16 april ’17

Ezechiël 37, 1 – 14
Marcus 16, 1 – 8

I
Pasen begint met vluchten. Nou ja, het begint natuurlijk helemaal niet bij ons. Pasen begint bij God. En dan niet God als de sluitsteen van ons geloof, de missing link die alles kloppend maakt. Maar God uit ‘God nog aan toe!’ God, de inbreker, op wie je nou net niet zat te wachten. God tegen wie je niet vanzelf ‘ja’ zegt. Eerder ‘nee!’. Daarom begint Pasen van onze kant met vluchten.  ‘Ze gingen naar buiten en vluchtten bij het graf vandaan, want ze waren bevangen door angst en schrik. Ze waren zo erg geschrokken dat ze tegen niemand iets zeiden.’ Dit is het slotakkoord van het evangelie volgens Marcus..

Mannen die eens mochten denken: ‘Vrouwen hè?’, ik mag jullie en mijzelf er fijntjes op wijzen dat wij al lang en breed de benen hebben genomen. Ook gevlucht, maar dan al eerder in het verhaal. En dan niet omdat, ‘God nog aan toe!’, de hemel inbrak in ons leven. Maar omdat wij het vege lijf wilden redden. De wil om de dingen naar je hand te zetten, legt het af tegen de sterke drijfveer om het leven er niet bij te laten. ‘Mag het ietsje minder zijn?’ ‘Toen lieten allen hem in de steek en vluchtten weg,’ (Mc. 14, 50) vertelt het evangelie. Dat was drie nachten geleden.

II
Pasen begint met vluchten. Maar als dat zo is, waar komt dan de vreugderoep vandaan, waarmee we deze dienst begonnen: ‘Christus is opgestaan! – Ja, hij is waarlijk opgestaan!’? Nou, niet uit ons arsenaal aan antwoorden op dood en duisternis. En we zeiden het ook niet omdat er in de orde van dienst stond dat we het moesten zeggen. En dat vervolgens dus ook braaf hebben gedaan. Elk jaar weer voelt het ongemakkelijk om voluit te beamen: ‘Ja, hij is waarlijk opgestaan!’ Maar als je het dan uit zo veel monden om je heen hoort, dan weet je dat er wat gebeurd is. Dan weet je dat er een Ander in het spel dan jij en ik, wij samen. Wij zeggen iets dat we niet waar kunnen maken. Maar dat is juist de grap van Pasen. Dat jij en ik het niet waar hoeven te maken. Dat er in alle vroegte iets gebeurd is, dat jou en mij en iedereen omvat: ‘Ja, hij is waarlijk opgestaan!’ Het is Gods waarheid, die op onze lippen wordt gelegd.

Nou zou je kunnen denken dat Pasen de beloning is voor de hoogstaande mens die Jezus was. Nou ja, niet letterlijk. Want zo hoog stond hij niet. Maar u snapt wel wat ik bedoel. Hij was de mens naar Gods hart. En als wij in zijn spoor durven leven, dan valt ons ook opstanding ten deel. Dan is Pasen de aanmoedigingsprijs om van deze aarde een tuin te maken van vrede en recht. Alleen denk ik nu dat Pasen helemaal niet in het verlengde ligt van onze goede bedoelingen en van onze hoogstaande idealen. Pasen sluit nergens op aan. Pasen vonkt en knettert van een liefde, die niet onze schoonheid zoekt en die ook niet op onze goedkeuring wacht. Ons vluchten ligt nog het dichtst bij wat hier vanmorgen vieren. Niet onze moed. Niet de bereidheid om te sterven voor onze idealen. Niet de hoog gelegde lat van de humaniteit. Nee, ons vluchten. Het is maar één stap tussen ons vluchten en de ontmoeting met de Opgestane. Het is maar één stap. En hij heeft hem al gezet. Voor wij wisten hoe laat het was.

III
Op een schokkende gebeurtenis reageren mens en dier het zelfde. De stress en de angst in het lijf laten je twee keuzes: vechten of vluchten. Beide reacties zie je terug in het evangelie volgens Marcus. Bij de arrestatie van Jezus gaat een van de omstanders de commandant van de arrestatie-eenheid te lijf met een zwaard. Hij slaat hem een oor af. Even later laten allen Jezus in de steek en vluchten ze weg. Het is vechten of vluchten.

Na de arrestatie en de executie van Jezus, maken de vrouwen uit het evangelie vanmorgen in alle vroegte nog een schokkende gebeurtenis door. De steen is weggerold uit de ingang van het graf waarin Jezus was gelegd. En die steen was nog wel zo groot! Als ze het graf binnengaan, zien ze rechts een in het wit geklede jongen zitten. Opnieuw de angst, de stress. Deze keer niet veroorzaakt door een arrestatie-eenheid die onverwachts uit het donker opduikt, maar door morgenlicht dat ergens komt waar het niet hoort te komen en door een jongen die rustig  zit waar hij niet hoort te zitten.

Het zijn twee uitersten, de avond van de arrestatie die de nacht inluidt van lijden en dood, en de vroege morgen van de opstanding die een dag belooft waarover de zon niet meer onder zal gaan. Maar beide zijn niet te bevatten. De laatste nog wel het minst.

Van vechten of vluchten heeft de kerk waar of niet waar gemaakt. De orthodoxie gelooft met stelligheid dat Jezus voor onze zonden moest lijden en sterven en opstaan, opdat wij eeuwig zouden leven bij God. De vrijzinnigheid vindt dat je de opstanding van Jezus overdrachtelijk moet zien en dat hij in leven en sterven het grootste voorbeeld is geweest dat de geschiedenis ooit heeft voortgebracht. Maar misschien weten beide wel te veel. Alsof die inbreuk er niet is geweest, die maakt dat je vecht of vlucht. Toen zeventien jaar geleden de vuurwerkfabriek in Enschede ontplofte, zijn mensen op de vlucht geslagen, zonder hun kinderen in het oog te houden. Sommigen konden daar niet mee in het reine komen. Wat ze toen deden paste niet bij hun zelfbeeld – verantwoordelijk, betrokken, onafhankelijk. Soms gebeuren er dingen, die alles wat je zeker weet ver te buiten gaan.  Zou dat ook niet voor het evangelie van de opstanding gelden?

Misschien hebben we daar ook wel al die diensten voor nodig in de Goede Week: Eerst de Witte Donderdag met de voetwassing en met dat eerste avondmaal – ‘Dit is mijn lichaam’. Dan de Goede Vrijdag waarop er geen ontkomen aan is aan het verhaal waar je het liefst bij weg zou willen horen: de arrestatie, het verraad, de marteling, de eenzaamheid, de dood. Daaropvolgend de Stille Zaterdag: Waken bij het graf. De stilte van de dood verduren. En dan de nacht die alles op de kop zet: Het bonzen op de deuren van de Martinikerk. Het Licht van Christus dat je overvalt en dat jou fysiek op sleeptouw neemt, door de hele kerk heen. Net zo lang tot het in jou zingen gaat: ‘De dode zal leven. De dode zal horen: nu leven.’ (Lb. 608:3)  We hebben die diensten nodig om bij onze ervaring te kunnen komen, om niet te schrikken van ons vechten en ons vluchten. En de kerk heeft deze diensten nodig om niet meer te hoeven weten dan ze kan weten, om niet terecht te komen in het schema waar of niet waar.

IV
Pasen begint met vluchten, zei ik aan het begin van de overweging. Van onze kant bezien begint het met vluchten. Niet met een heilig weten of een rotsvast geloven. Dat is gek hè? De rust die de jongen uitstraalt, die daar rechts zit in het graf, is die dan niet het gevolg van een rotsvast geloven of een heilig weten. Vooral dat laatste, zou je denken. Want die jongen in het wit moet toch wel een engel zijn? Zo’n hemels wezen, ingewijd in Gods geheimen die voor ons verborgen zijn?

Maar is hij wel een engel?  Waarom noemt Marcus hem dan geen engel, geen ‘aggelos’, geen boodschapper? Waarom zegt hij dan dat het een jongen is, met een witte mantel om zich heen geslagen? Wie is dat toch die hier de vrouwen opwacht en hen op het spoor zet van de Levende? Dat moet toch een engel zijn? Marcus begint zijn evangelie met een citaat uit de profeten: ‘Let op, ik zend mijn bode (mijn engel) voor je uit, hij zal een weg voor je banen.’ (Mc. 1,2) Dan ligt het voor de hand om hier aan het eind van zijn evangelie opnieuw die engel op te voeren, die de drie vrouwen een weg baant naar de Levende: ‘Hij gaat jullie voor naar Galilea.’ (Mc. 16, 7) Maar nog eens: Marcus doet dat niet. Het is bij hem een jongen. Maar waar vandaan dan? Wie is hij? Om een antwoord te vinden op die vragen moeten we niet in de hemel zijn. We moeten drie nachten terug, naar dat moment dat je het liefst zou willen vergeten. Naar de arrestatie en naar het verraad. Toen allen Jezus in de steek lieten en weg vluchtten. Daar vertelt Marcus: ‘Een jongen, die alleen een linnen kleed aanhad (klaar om te gaan slapen), probeerde bij hem te blijven, maar toen ook hij werd vastgegrepen, liet hij het kleed in hun handen achter en vluchtte naakt weg.’ (Mc. 14, 51 e.v.)

Die jongen in het wit is niet een engel, die de weg weet in de hemel. Het is deze jongen die weet wat er op aarde te koop is aan vriendschap en verraad, die weet dat er momenten zijn waarop je niet anders kunt dan vluchten. En hoe het voelt om naakt te zijn. Hij, die naakt in de nacht verdween, zit mooi te wezen in het geopende graf. En hij mag het de drie vrouwen zeggen. Hij is ook de laatste die zal denken: ‘En hoe moet het nu verder, nu ze weg vluchten bij het graf en tegen niemand iets zeggen?’ Hij laat hen gaan. Hij kijkt hen na. En hij weet een ding zeker: ‘Het komt wel goed!’ Zoals het met hem goed gekomen is. Wat er gebeurd is met die jongen, dat vertelt Marcus niet. Hoe het verder is gegaan met de drie vrouwen, vertelt hij ook niet. Er zijn dingen die je aan God mag overlaten.

V
Met u komt het ook wel goed. Ook al denk je elke zondag weer: ‘Wat zit ik hier te doen?’ En heb je de neiging om weg te vluchten bij de grote woorden die je zingt en zegt: ‘Ja, hij is waarlijk opgestaan!’ Het kan niet zonder elkaar: het vechten met wat de kerk belijdt, het vluchten voor het Evangelie dat alle perken te buiten gaat, het niet kunnen geloven, én het zingen en zeggen dat Jezus leeft en dat hij ons vooruit gaat; toelaten dat het hier op je lippen wordt gelegd, je hart horen kloppen. Nee, je lijkt wel niet goed wijs. Maar ja, wat moet je als er adem in je wordt geblazen en je aangevochten ziel herleeft?

In de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest. Amen

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.