Overweging Oudjaarsavond 2016

“Mijn tijden zijn in uw hand”
(Psalm 31: 16 / NBG ’51)

 

I
“Mijn tijden zijn in uw hand,” zegt de psalmdichter in zijn gebed. Lukt het u nog om het mee te bidden? Geeft het nog rust? Of hebt u te veel gezien in dit afgelopen jaar? De kapot geschoten wijken van Aleppo. Kinderen die niet meer huilen. Hebt u te veel vuilbekkerij gehoord uit monden van mannen in pak, om nog te kunnen bidden: “Mijn tijden zijn in uw hand.”? Schijnbaar ongestoord wordt de democratie uitgekleed en vergroten autocraten hun macht. Zij hebben het tij mee. Is het tij God uit handen gevallen?

En zijn dit nog wel ‘mijn tijden’? Geboren in de vijftiger jaren, zag het speelveld van de wereld er nooit onoverzichtelijker uit dan nu. Op de basisschool leerde ik dat de wereld drie miljard bewoners telde. En van smeltende ijskappen en opwarming van de aarde had nog niemand gehoord. Later was ik voor dit en tegen dat. De wereld wachtte op verandering en op mij. Het waren ‘mijn tijden’. De toekomst wachtte. Maar nu? Konden we dat maar zo zeggen. Konden we over de tijd waarin we nu leven maar spreken als over huisje boompje, beestje: mijn liefsten, mijn thuis, mijn tijden. Een van de vele oorzaken van het groeiende populisme is dat velen deze tijd niet meer ervaren als ‘mijn tijd’.

En de God die het allemaal in zijn hand hield en bestierde, is stilletjes van het toneel verdwenen. Geen God meer die de boel bij elkaar houdt. Konden we over God nog maar spreken zoals we dat ooit gewend waren: een Vader die alles oplost, die alles in zijn hand houdt. Want als we dat nog zouden kunnen, dan raakten we niet zo gauw het spoor bijster. Als God nog de Vader was, dan kon jij het kind nog zijn dat als het nodig is even dekking weet te vinden bij hem. “Mijn tijden zijn in uw hand.”

De dichter van psalm 31 bidt het. Maar niet als een kind dat wegduikt achter de rug van zijn vader. Hier bidt een aangevochten mens. Er is geen plek om weg te duiken: ‘Wie mij zien aankomen op straat wenden zich af en ontvluchten mij.’ Hij is er zo een, waar je de televisie voor uitzet. Niet omdat je geen hart hebt. Maar juist omdat je er wel een hebt; omdat het je soms gewoon te veel wordt: de aanblik van een klein kind dat niet meer huilt, maar je aankijkt met de blik van een honderdjarige. Je wendt je blik af om het lijntje niet te laten breken met het geloof dat er een God is; dat het allemaal niet voor niets is, zinloos. Maar het paradoxale is dat je moet blijven kijken; dat je het hoofd niet af moet wenden, wil je het geloof in deze God niet verliezen; wil je met hem blijven bidden: ‘Maar ik vertrouw op u, o HEER, ik zeg: U bent mijn God. Mijn tijden zijn in uw hand.’ Want die psalmdichter zit niet op de kant. Haat en geweld denderen over hem heen, als hij zijn vertrouwen uitspreekt in God

Wat doen we eigenlijk als we hier op de laatste avond van het jaar de scherven en de schatten van 2016 in Gods hand leggen? Wat doen we als we in stilte bij onszelf alles opnoemen wat ons in het afgelopen jaar beroerde en we niet buiten onze ziel wisten te houden, en dan zeggen: “Mijn tijden zijn in uw hand.”?

We gaan niet naar de kerk uit heimwee naar de tijd waarin alles nog klopte en God nog prominent aanwezig was. We willen niet terug naar vroeger omdat toen alles beter was. We trekken niet aan de noodrem, zoals populisten doen. Naar de kerk gaan is een daad van verzet tegen alle gemakkelijke antwoorden: ‘Laat de markt het doen!’ – ‘Gooi de grenzen dicht!’ – ‘Laat de verzorgingsstaat herleven!’ Naar de kerk gaan is ook een daad verzet tegen de antwoorden die ze zelf zo vaak heeft gegeven: ‘God zal er wel een bedoeling mee hebben!’ en ‘God kan alles!’

Wat overblijft is leven zonder antwoorden en leven zonder weg te kijken. Om dan opnieuw te leren bidden: ‘Maar ik vertrouw op u, o HEER, ik zeg: U bent mijn God. Mijn tijden zijn in uw hand.’ Waar is dan die God, vraagt u zich misschien af? Daar waar mensen hem weigeren te zoeken. Bij die mens die zegt: ‘Vergeten ben ik als een dode, weg uit het hart, afgedankt als gebroken aardewerk.’ En dan: ‘Maar ik vertrouw op u, o Heer’ Ergens tussen die twee regels in, breekt God binnen in onze tijd. Wie weg kijkt bij de mens in nood, ook de mens in nood die jij zelf bent, zal nooit meer kunnen bidden: ‘Mijn tijden zijn in uw hand.’

We bidden deze woorden vanavond uit volle overtuiging, ook al lijken ze niet meer van deze tijd. Ze zijn op onze lippen als de klok twaalf slaat en een nieuw jaar begint. Een jaar waarin we ons niet laten leiden door haat en angst en potsierlijke antwoorden op de nood van de wereld. We zullen ons laten leiden door het kind in de kribbe, die Gods liefde in levende lijve is. In veel kunstwerken die betrekking hebben op kerst, zie je hoe het kind zijn handen uitstrekt naar de toeschouwer. Vanavond fluister ik terug: “Mijn tijden zijn in uw hand.”

Laat 2017 opnieuw zijn jaar zijn!

Amen

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.