‘Mijn tijden zijn in uw hand’

“Mijn tijden zijn in uw hand”
(Psalm 31: 16 / NBG ’51)

I

“Mijn tijden zijn in uw hand,” zegt de psalmdichter in zijn gebed. Konden we dat nog maar geloven hè? Die laatste dag van het jaar maakt een mens al gauw wat weemoedig. En ook een beetje bang. Want dat gaat vaker samen. Mijn God, wat moet dat worden? Maar we willen onszelf toch ook niet voor de gek houden. De God die in zijn hoge hemel alles in zijn hand hield en er zin en richting aan gaf, is onttroond. Soms verlangen we naar hem terug, als de veranderingen wel heel hard gaan en er steeds minder houvast is. Die donkere dagen werken dan ook niet echt mee.

Zijn dit nog wel ‘mijn tijden’? We weten al langer dat we een minuscule planeet bewonen in een uithoek van het heelal. Maar we hebben nog lang vol kunnen houden dat alles om ons draaide in dit deel van de wereld. Inmiddels is het kwartje bij de meesten wel gevallen. De een reageert er angstig en boos op. Een ander steekt de kop in het zand en doet net alsof er niets is veranderd. En weer een ander slaat een optimistische toon aan, die nergens op stoelt. Zijn dit nog wel ‘mijn tijden’?     

Je hoeft trouwens geen zestiger te zijn om niet langer probleemloos over ‘mijn tijden’ te spreken. Er gaan genoeg verhalen van jonge mensen met me mee, die snakken naar wat vastigheid en naar kansen om deze tijden tot hun tijden te maken. Kansen, die ik wel gehad heb.  Konden we over de tijd waarin we nu leven maar spreken als over huisje boompje, beestje: mijn liefsten, mijn thuis, mijn tijden. Mensen in Nederland zijn de gelukkigste mensen van de wereld, maar ze zijn net als zo veel andere wereldbewoners bang voor verlies van wat vanzelf sprak. Deze tijden zijn als een centrifuge, die ieder mens uit de vaste baan slingert. Nee, saai wordt het niet meer. Maar het kan ook te spannend zijn.

‘Mijn tijden zijn in uw hand,’ bidt de dichter van psalm 31. Maar niet als een kind dat onbezorgd aan het spelen is omdat het weet dat het niets te vrezen heeft. De dichter lijkt meer op een asielzoeker, die gedesoriënteerd een nieuw bestaan probeert op te bouwen in en vreemde wereld met een minimum aan netwerk. ‘Wie mij zien aankomen op straat wenden zich af en ontvluchten mij.’

Wat doen we eigenlijk als we hier op de laatste dag van het jaar de scherven en de schatten van 2019 in Gods hand leggen? Wat doen we als gedachten en gevoelens over elkaar heen duikelen en dan zeggen: ‘Mijn tijden zijn in uw hand.’?

We gaan niet naar de kerk uit heimwee naar de tijd waarin alles nog klopte en God nog prominent aanwezig was. Tenminste, daar ís ze niet van. En we wíllen ook niet terug naar vroeger, alsof toen alles beter was. We trekken niet aan de noodrem, zoals populisten geneigd zijn te doen. Naar de kerk gaan is een daad van verzet tegen alle gemakkelijke antwoorden: ‘De vooruitgang zal ons redden!’ – ‘Gooi de grenzen dicht!’ – ‘Laat de verzorgingsstaat herleven!’ Naar de kerk gaan is ook een daad verzet tegen de antwoorden die ze zelf zo vaak heeft gegeven: ‘God zal er wel een bedoeling mee hebben!’ en ‘God kan alles!’

Wat overblijft is leven zonder antwoorden en leven zonder weg te kijken. Om vervolgens met nieuwe ogen de ander te zien, die is al jij. Haar blik is een vraag aan jou. Jouw blik is een appel op hem. Jij kunt haar straatje niet schoon poetsen. En hij kan de dingen voor jou niet oplossen. Maar als we ophouden weg te kijken bij elkaar; ophouden te geloven dat de ander een probleem is; ophouden de zelfredzaamheid heilig te verklaren, dan gebeurt er wat! Dan breken er nieuwe tijden aan. Hoe ik dat zo zeker weet? Omdat dit alles nou precies leven in de gemeenschap van Christus is. Dit is wat kerkzijn behelst. Als mensen oriëntatiepunten worden voor elkaar; als we door krijgen dat elke nieuwe weg naar morgen toe, begint bij de weg naar de ander toe, dan biedt dat nog geen garanties voor een stralende toekomst, maar dan kan er tegelijk eigenlijk niks meer mis gaan. Omdat God ons daar heeft opgezocht. En dan in één adem er achter aan: Omdat we elkaar daar hebben gevonden.

Ik wil het opnieuw leren bidden: ‘Mijn tijden zijn in uw hand.’ Genieten van wat sterfelijk is, net als jij. En dat blijven doen terwijl je je ervan bewust bent dat het leven op aarde onder druk staat en dat we daar zelf debet aan zijn. Opnieuw leren bidden: ‘Mijn tijden zijn in uw hand.’, zonder nog te hoeven geloven in een God die met een toverstok klaar staat om onze rommel op te ruimen. Net zo min als in een God, die ons met zijn stok zal slaan om wat wij hebben aangericht. Ik wil opnieuw leren bidden, niet met de ogen dicht maar met de ogen gericht op de ander. En tijdens het bidden ontdekken dat er een God is, die zich genesteld heeft in de kreukels van deze wereld en daar liefde is, sterk als de dood.

‘Mijn tijden zijn in uw hand.’ We bidden deze woorden vanavond uit volle overtuiging, ook al lijken ze niet meer van deze tijd. Ze zijn op onze lippen als de klok twaalf slaat en een nieuw jaar begint. Een jaar waarin we ons niet laten leiden door haat en angst en potsierlijke antwoorden op de nood van de wereld. We zullen ons laten leiden door het kind in de kribbe, die Gods liefde in levende lijve is. In veel kunstwerken die betrekking hebben op kerst, zie je hoe het kind zijn handen uitstrekt naar de toeschouwer. Vanavond fluister ik terug: “Mijn tijden zijn in uw hand.”   

Laat 2020 opnieuw zijn jaar zijn!

Amen

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.