Preek van de Kerstnacht

Welkom en inleiding op de dienst

Welkom in de Nieuwe Kerk. Het is al laat en toch zijn we gekomen. Wat is dat toch met deze nacht? Zijn het de engelen, de herders? Is het de stal, het kind, Maria? Is het het goede gezelschap van mensen, die net als jij het antwoord op die vraag ook niet precies weten?

‘Soms was de nacht zo wonderschoon, dat hij de ochtend kon verdragen,’ dichtte Willem Wilmink. Wie verzint zoiets? Het komt uit een van zijn liedjes: ‘De meisjes uit vervlogen dagen’. Een kerstliedje is het niet. Maar het gaat wel over heimwee en verlangen. En zijn die twee niet ook een deel van het antwoord op de vraag wat ons hier brengt?

Heeft deze nacht het in zich om zo wonderschoon te zijn, dat hij het daglicht kan verdragen – waarin mensen worden uitgespeeld tegen elkaar; eenzaam hun weg zoeken; de toekomst op het spel zetten? Wie weet. Wie weet.

‘De meisjes uit vervlogen dagen’ zingt over jou en mij, over lijf en ziel, over huid en haar. En over werelden die open gaan. Nee, een kerstliedje is het niet. Maar er is geen nacht waarin het mooier is om naar te luisteren dan deze nacht.

 

Overweging

Lucas 2, 1 – 20

I
‘We weten niet meer waar ze wonen / de meisjes uit vervlogen dagen,’ zingt het liedje van Willem Wilmink. Geldt het ook niet voor de engelen, dat we niet meer weten waar ze wonen? En dat ons dat vervult met een zelfde soort heimwee? Ja, vanavond weten we het. Een uur lang. De Nieuwe Kerk in kerstsfeer heeft nog een lijntje met de hemel. Ze heeft iets van vroeger bewaard. En ons verlangen doet de rest. Misschien zingt dit weten straks nog even na als je jezelf hoort neuriën onderweg naar huis. Of als degene met wie je kwam tegen je zegt: ‘Toch goed dat we gegaan zijn.’

Maar of dat weten ook de ochtend kan verdragen? Eigenlijk hebben we het lijntje met de hemel al lang doorgeknipt. Het is beter om er rekening mee te houden dat de hemel niet bestaat, toch? We zullen het hier zelf moeten zien te rooien. En ook al gaat het nog spannend worden of we de aarde bewoonbaar weten te houden, we hebben wel bewezen dat we heel wat kunnen. En dat we daar het geloof in de hemel niet voor nodig bleken te hebben.

Dat wil niet zeggen dat we het helemaal zonder doen. Op momenten dat we een liefste verliezen aan de dood, kan het geloof in een hemel een mens tot troost zijn en door moeilijke momenten heen trekken. Dat kan. Het hoeft niet. Het geloof in de hemel is individueel geworden. Wat iedereen moet is verder gaan en zichzelf zien te redden. De een doet dat zus, de ander zo.

Maar daar zit ook een grens aan. Dat veel jonge mensen onder die druk bezwijken, is een veeg teken. Vergis ik me, of zijn mensen op zoek naar een nieuw wij? Niet dat het ergens voor ons klaar ligt als een pot goud aan het eind van de regenboog, maar het zoeken is er. En wat wij vanavond hier doen en beleven, kon daar wel eens een onderdeel van zijn. De hemel is hier present. Niet de hemel van ieder voor zich. Maar de hemel van ons samen. De hemel van de kerstavond, die voor ons allen open gaat. Al is het maar voor een uur. Verlangen naar een nieuw wij, verpakt in heimwee naar de hemel.

Is deze wonderschone nacht in staat de ochtend verdragen? Dat is de grote vraag. Zelfs als het de ochtend van de Eerste Kerstdag is. Want wat staat er morgen weer veel op het programma. En wat moet het weer gezellig zijn. Een mens zou er van achter adem raken. Zeker zonder de verstilling en de magie van de kerstavond, die dan weer is voorbij gegaan. Maar dat is van later zorg. Morgen is morgen.

II
Dit is de Kerstnacht. Hier gaat de hemel open. Maar als het gebeurt, schrikken we ons kapot. Dat is de gein van het verhaal. Tenminste als we het verhaal aandurven. We schrikken zoals de herders doen. We hebben onszelf bij de hand genomen en zijn hier naar toe gekomen. We waren eigen baas. Niemand die ons stuurde. We kwamen voor de engelen en hun hemel, niet in de laatste plaats. Heimwee naar vervlogen dagen en naar de hemel van weleer brachten ons samen.

Maar als de hemel open gaat, blijkt die niet uit ons heimwee te zijn gebouwd. De hemel overvalt ons. En dat is echt schrikken. Willem Wilmink had gelijk: ‘De buren hun adres te vragen / Zal in geen straat de moeite lonen / We weten niet meer waar ze wonen / De meisjes uit vervlogen dagen.’ Wij speelden even alsof we het adres wel wisten van de engelen en de hemel: tijdelijk adres Nieuwe Kerkhof 1. Maar op deze overval hadden we niet gerekend. En het heeft ook geen zin om het aan de dominee te vragen. Die weet alleen het verhaal te vertellen. Zijn schrik is even groot.

Want de hemel is van een andere orde. Niet gevangen in ons heimwee. Ook is de hemel niet van kerkelijke gezagsdragers, die menen te weten wie er in komt en wie niet. Hij is niet van individuele gelovigen, die de hemel denken nodig te hebben omdat het bestaan anders wel heel kaal wordt. En zeker niet van hen die zoveel kapitaal hebben vergaard dat de aarde er te klein voor is. De hemel doet ons schrikken: Arm en rijk. Gelovig en ongelovig. Optimisten en pessimisten. Jan en alleman.

Wat is die hemel dan? Waar schrikken wij nog van? Toch niet van hemels licht? Dat kennen we toch al lang? We wisten het al te vangen in onze kindertekeningen met veel geel en wit. En de ledverlichting wordt steeds beter, zodat de stad in de decemberdagen een hemelse glans verspreidt. Van wie node wordt gemist, wordt wel gezegd dat hij/zij in het licht is. En de sterren van deze wereld, gevangen in onze aandacht, leven in glamour en permanent licht. Waarom zouden wij schrikken van het licht van de hemel en de glorie van God? We zoeken het juist. Als iets wat de duistere kanten van het bestaan compenseren kan.

Want wie wordt niet moe en intens verdrietig bij het zien van de kinderen in Jemen, die verhongeren in een oorlog waar ze part noch deel aan hebben? En wie van ons heeft er geen scherven in de rugzak en heeft er geen behoefte aan een verhaal dat alles ooit eens heel zal zijn. Wie droomt daar niet van? Is dat niet de hemel die wij allemaal zoeken – de hemel daar of de hemel hier? Waarom zouden we moeten schrikken van het licht van de hemel en de glorie van God? Wat is er nog om bang voor te zijn?

III
Zouden we bang kunnen zijn voor een hemel, die ons vóór is; voor een hemel die de regie pakt; die het niets kan schelen of wij er in geloven of niet? Zouden we ons kapot schrikken van een hemel die iets anders wil zijn dan een compensatie voor de brokken die het leven nu eenmaal maakt; iets anders dan een soort zorgtoeslag op het leven? Wat te denken van een hemel die ons opzoekt zonder mooi te zitten wezen; een hemel die de sprong waagt in onze nacht; een hemel die maar een ding wil en dat is bij jou en bij mij zijn; een hemel die geen licht geeft zodat jij je er aan kunt vergapen; een hemel die een en al licht is omdat hij een en al liefde is voor jou en voor mij? Een hemel met eenrichtingsverkeer: van daar naar hier, van God naar jou?

Om wat de te doen dan? Niet om het donker om te toveren tot licht. Niet om tegen jou te zeggen: ‘Nu gaan de bloemen nog dood, nu gaat de zon nog onder. Stil maar, wacht maar. Alles wordt nieuw.’ Niet dat, hoe graag ik dit kinderliedje ook zing. Nee, alleen om dat te doen wat liefde kan: Niet weglopen bij jou, bij de dingen waar je zelf het liefst hard bij weg zou willen rennen als dat had gekund. Niet vluchten voor een wereld waarin zo veel rottigheid gebeurt dat het een mens soms moeite kost om er nog langs heen te kunnen kijken. De hemel vlucht niet voor die wereld, maar springt er midden in en omarmt hem. ‘Dan ligt er schaamrood op de konen’. Alle licht dat de hemel in huis heeft mag van hem doven. Maar niet tet licht van de liefde.

Wat te denken van zo’n hemel? Nee, wacht, je hoeft hier geen antwoord op te geven. Want deze hemel onttrekt zich aan alles wat wij denken. Deze hemel is ons vóór. Deze hemel ontneemt ons het initiatief. En we krijgen het pas terug als wij onszelf en onze wereld durven aan te kijken als een van wie gehouden wordt.

Dat was de schrik van de herders die in het open veld door de nacht heen waken over hun kudden: dat zij zich van het een op het andere moment terug vonden als mensen van wie gehouden wordt. En dat, terwijl hun waken maar zo zo was. En iedereen wist dat ze niet deugen wilden en vee jatten en doorverkochten, waardoor het recht om te getuigen in de rechtbank hen collectief ontnomen was. Er wordt van hen gehouden.

Dat de engelen terug gaan naar de hemel, is niet om alles bij het oude te houden omdat het anders wel heel spannend wordt. Ze gaan terug om dit verhaal te bewaken, om het steeds opnieuw te kunnen vertellen en waar te maken. Want welk mens kan er nou in zo’n hemel geloven, die de goddelijke heerlijkheid inwisselt voor de makke van deze wereld en die van mij, uit louter liefde?

IV
‘Kom, laten we naar Betlehem gaan om met eigen ogen te zien wat er gebeurd is,’ zeggen de herders. Met eigen ogen. Dat zijn de ogen die weten dat er van hen gehouden wordt. Zulke mensen dromen niet van een hemel in de wolken. Zulke mensen leggen hun angst af en gaan op weg. Met liefde in de rugzak. In het geloof dat ze onderweg God zullen tegen komen in de gestalte van een kind, dat langs die weg geboren is.

‘Soms was de nacht zo wonderschoon / dat hij de ochtend kon verdragen.’ Elke ochtend die ons nog gegeven is.

Amen