Preek van de Week – Zondag 12 maart ’17 door ds. Tiemo Meijlink

Exodus 24, 12 – 18
Mattheüs 15, 21 – 28

Gemeente van Jezus Christus,

Het is vandaag de tweede zondag in de 40 dagentijd. 40 doordeweekse dagen tellen wij vanaf Aswoensdag en zes zondagen. En dan is het Pasen. Voorbereidingstijd, dus, maar vooral ook tijd van bezinning, of nog ernstiger: tijd van beproeving, vasten, boete doen zelfs. Het getal veertig verwijst naar periodes waarover in de bijbel verteld wordt. 40 dagen verblijft Mozes op de berg om daar de Thora, het levensonderwijs te ontvangen dat God aan de mensen geeft (wij hebben daar zonet over gelezen in Exodus 24). 40 dagen lang trekt Elia de woestijn in als hij in de crisis verkeert als profeet van Israël. 40 dagen verblijft Jezus in de woestijn waar hij beproefd wordt door de duivel. 40 dagen ondergaat het leger van Israël vol angst en beven de tirannie van de reus Goliath die hen uitdaagt en tart. 40 jaren verblijft het volk in de woestijn tijdens de uittocht uit Egypte en de doortocht naar het beloofde land, een tijd van diepgaande spanningen en aanvechtingen.

Het zijn allemaal periodes waarin de beproeving groot is, en de crisis voluit aanwezig in het leven van de mensen waarover verteld wordt. En het getal ‘veertig’ staat dan niet letterlijk voor een tijd van precies zo veel dagen of zoveel jaren. Het is veeleer een symboliek, een betekenisvolle verwijzing dat er lange periodes in ons leven kunnen zijn waarin wij in crisis verkeren, met ons zelf, met wie wij zijn, en met name met wie wij zijn voor het aangezicht van de Eeuwige, van de God met de Naam “Ik zal er zijn”. Wie is die God, juist ook in tijden waarin het niet goed met ons gaat? Wie is die God “Ik zal er zijn”, juist ook als wij in crisis verkeren, of als het erop aankomt in ons leven, als er beslissende dingen moeten gebeuren. Als wij met andere woorden beproefd worden in wie wij zijn: als wij vastlopen, of de hoop verliezen, als wij in een conflict verkeren, als wij wanhopig zijn of angstig of voor een afgrond staan in ons leven, wie is dan die God met de Naam “Ik zal er zijn”.

De 40 dagentijd is de liturgische tijd die ons herinnert aan deze tijden van beproeving. En zeker: het gaat op naar Pasen in deze tijd van het jaar, naar het Licht van de gekruisigde die Heer is en levend maakt. Maar 40 dagen van beproeving kan het in ieders persoonlijk leven ook op andere tijden van het jaar zijn. En dan is het goed te weten dat de kerk zo’n periode heeft apart gezet om juist deze tijden van beproeving te overdenken. Dat wil zeggen te overdenken de schaduwzijden van ons bestaan, de diepten van ons leven, maar ook te beseffen dat dat nooit alleen maar op zichzelf  staat, alsof dat alles is … maar het juist ook te ervaren en te ondergaan met het oog op de voltooiing die er zal zijn, met het oog op het Licht dat uitstraalt vanuit het geheim van Pasen.

40 dagen, 40 jaren is in de bijbel namelijk ook altijd “begrensde tijd”. Tijd dus die niet eindeloos voortgaat in beproeving en crisis, maar tijd die begrensd wordt omdat er ook OMKEER is, bevrijding en verlossing. Een anker van hoop dat uitstaat in een toekomst die goed zal zijn. Begrensde tijd, dus, een beproeving die niet eindeloos doorgaat, dat is ook een betekenis van dit getal van 40, in dagen en in jaren. Er wordt een grens gesteld aan onze beproeving vanuit het geheim van de Naam, van God “Ik zal er zijn”

.

Het evangelie van vandaag over de Kananese vrouw die Jezus tegemoet komt als hij is uitgeweken naar Tyrus en Sidon heeft niet een verwijzing naar 40 dagen of zoiets. Maar het is niettemin ook een verhaal van beproeving waarin iets beslissends gebeurt dat beiden, zowel de vrouw als Jezus diep aanraakt. Het speelt zich af in het buitenland, in de streek ten noorden van Israël, in het land van de heidenvolkeren. Deze vrouw uit de heidenvolkeren komt op voor haar dochter die bezeten is door een demon. En je kunt een dergelijke bezetenheid gerust beschouwen als een BEPROEVING. Wij spreken in deze tijd niet meer over demonie, over bezeten zijn door de duivel …. Maar we weten heel goed wat het is als er zoiets als een geest in ons vaart waar wij geen vat op lijken te hebben, als de wijsheid en de balans in ons leven ver te zoeken zijn, als er een  psychische belasting over ons ligt die werkt alsof we gevangen zijn in ons zelf. Zoiets kun je ook in onze tijd gerust DEMONIE noemen, bezeten zijn en belast zijn door iets wat niet zomaar van je kan worden afgenomen.

Deze vrouw komt op voor haar dochter en roept Jezus aan alsof zij precies weet wie hij is: “Heer, zoon van David, ontferm u over mij”. “Kyrie eleison”, dat is wat zij letterlijk in het Grieks roept tot Jezus. Maar hij negeert haar. Hij wijst haar af. Op de vraag van zijn leerlingen om haar van zich los te maken, om haar weg te sturen, misschien met een bemoedigend woordje, zegt Jezus: “Ik ben alleen gezonden naar de verloren schapen van het huis van Israël”. Niet dus naar de volkeren, niet naar de mensen daar in den vreemde, niet naar deze Kananese vrouw ……..

Bij de tweede, wanhopige roep om hulp door de vrouw, wordt het afwijzende antwoord van Jezus zelfs nog scherper: “Het is niet goed het brood van de kinderen te nemen en het aan de honden te voeren”. Het zal je – God betere het – maar gezegd worden. Dat je in jouw schreeuw om hulp, als antwoord met de honden gelijkgesteld wordt.

Dit evangelieverhaal is op het discriminerende af en Jezus betoont zich hier als de kampioen van de scheiding, de scheiding tussen Israël en de volkeren. Een dubbele afwijzing geeft hij voor deze vrouw uit de volkeren. Wie had dat gedacht van Jezus? Veel mensen met wie ik dit verhaal eerder samen gelezen heb, zijn geschokt door de botheid die er hier bij Jezus lijk te zijn. Het komt niet overeen met hun gebruikelijke Jezusbeeld. En inderdaad roept het allerlei vragen op, dit schokkende verhaal:

Zou Jezus niet geweten hebben van de aloude zegen aan Abraham: “in jou, Abraham, aartsvader van Israël, zullen alle volkeren gezegend worden!”? Of zou hij niet geweten hebben van het visioen van de maaltijd op de berg waar alle volken zullen aanschuiven aan de Tafel van de Heer, dat visioen dat in de profetie van Jesaja en ook van andere profeten aan de orde komt.

Waarom die afwijzing? Is Jezus zelf pas gaandeweg zijn roeping anders gaan verstaan? Is het misschien ook een boodschap geweest aan de jonge christelijke gemeente om niet zo krampachtig om te gaan met de grens, de scheidingsgrens tussen Israël en de volkeren? Gaat het er eigenlijk om in dit verhaal dat ze moeten leren verstaan dat Gods barmhartigheid geen grenzen kent!? Al die vragen spelen hier mee, en moeten we ook mee-horen in dit verhaal.

Hoe dan ook, het is heel bijzonder hoe de vrouw volhardt in haar roep om hulp, om ontferming, hoe zij het volhoudt in deze beproeving. Strijdbaar en volhardend gaat zij haar weg. Niet zomaar strijdbaar als iemand die recht op haar doel afgaat, maar tactisch, handig gebruik makend van de uitspraak van Jezus: “o.k., een hond, dat ben ik, een hond uit de heidenen, maar ook een hond eet mee van de maaltijd, door de kruimels te eten die van de tafel op de grond vallen”.

Het hondenrecht, daar wil ze graag gebruik van maken. Die ondergang wil ze tegemoet gaan, die vernedering wil zij nemen om boven het duister uit te komen, om redding voor haar dochter te bewerken. Met andere woorden: zij is bereid een messiaanse weg te gaan: onder te gaan om boven de ellende uit te komen, zich te ontledigen om bevrijding te bewerken. Zo is zij een spiegelbeeld van Jezus zelf.

Je zou kunnen zeggen: die vrouw strijdt met Jezus en overwint hem. Zij trekt hem als het ware over de grens tussen Israël en de volkeren, en weet hem daar te brengen waar hij eerst niet wilde zijn. En daarom klinkt er ook dat ontroerende antwoord: O, vrouw, groot is jouw geloof, jouw vertrouwen. Aan jou geschiedde wat je verlangt. En zo wordt haar beproeving begrensd door dit woord van Jezus. Zo vindt haar crisis een einde, een voltooiing in het verlossende woord van Jezus.

In dit kleine drama wordt in een paar woorden het grote geheim van de God van Israël verteld en verbeeld, die God “Ik zal er zijn”, waarmee Mozes 40 dagen en 40 nachten verkeert, op de berg. Deze God beweegt mee met zijn mensen, zoals Jezus mee-beweegt met de mensen die hij ontmoet: strijdbaar soms en heftig, diep met hen meegaand in hun beproeving, oordelend en confronterend ook. Al die woorden zijn hier op hun plaats. Maar altijd is er ook die genadige bewegelijkheid van deze Naam “Ik zal er zijn”. Dat er Iemand is die ons barmhartig en genadig tegemoet treedt. En ons herstelt in wie wij zijn. Amen.