Preek van de Week – Zondag 27 januari 2019

Ester 3
Lucas 4, 14 – 21

I
Drie weken na het carnaval (1-5 maart) vieren de Joden dit jaar hun carnaval (21 maart). Het heet Poerim, wat Lotenfeest betekent. In het Perzisch betekent Poer lot. Het herinnert aan Haman, die in het boek Ester het lot laat werpen om de geschikte dag te bepalen voor het ombrengen en uitroeien van alle Joden in heel het Perzische wereldrijk. Het kost een fatsoenlijk mens enige moeite om carnaval en een geplande genocide bij elkaar te denken. Maar de Joden doen het elk jaar weer, terwijl het wel over henzelf gaat. De Babylonische Talmoed, d.i. het commentaar op de Joodse Bijbel en de toepassing ervan, zegt dat je op Poerim zo dronken moet worden dat je geen onderscheid meer kunt maken tussen ‘Vervloekt zij Haman!’ en ‘Gezegend zij Mordochai!’

Nou, dan snappen we ook direct waarom de naam van de Eeuwige geen enkele keer klinkt in het boek Ester. Want wat heeft God te zoeken tussen al zijn lallende kinderen? Het boek Ester is niet geschreven om met gedragen stem in de kerk voor te lezen. Dit boek is om bij te juichen en te joelen. En zo gebeurt dat ook op het Poerimfeest. Want de moordpartij werd verijdeld en de rollen werden omgedraaid. Daarbij was de wraak op Haman en zijn hele familie niet misselijk. Boontje kwam wel heel erg om zijn loontje. Het is goed om niet helemaal nuchter meer te zijn als de voorlezer aan het eind van het verhaal gekomen is. Maar dat is voor later.

Toch zit het ons niet lekker. Het lukt ons niet om Ester te lezen als een carnavalesk boek, met alle omkeringen die bij het carnaval horen. Wij staan niet vooraan om de sleutels van de kerk te overhandigen aan de jonge bijstandsmoeder, die toevallig Ester heet, en die tijdens het carnaval de koningin van de wereld mag zijn. Het is ons te jolig. En zie het straks maar weer eens allemaal in vakjes te krijgen. We zijn niet van de zwarte kousen en het mag op zijn tijd best eens wat losser toegaan in onze kerk. Maar er zijn grenzen. En dit is er over heen.

Wat doet dit boek eigenlijk in de Bijbel? Wij zijn de eersten niet die ons deze vraag stellen. Er is ook nog een tweede, uitgebreidere en vromere, versie van het boek Ester geschreven. Daarin wordt er tenminste gebeden en wordt God gewoon genoemd. Maar ja, die versie heeft het plankje met Bijbelboeken dan weer niet gehaald. En er is nog iets dat schuurt, waardoor het lachen ons is vergaan. En dat is dat de strapatsen van Haman ons te veel doen denken aan de systematische moord op zes miljoen Joden in hartje Europa, nog maar driekwart eeuw geleden. Toen het plan niet werd verijdeld en er vooral machteloos de andere kant op werd gekeken. Of erger. Endlösung noemden ze het. Mijn God…

Ja, mijn God… Wij zouden het liefst iets van u horen. Dan zouden we schuld kunnen belijden en troost kunnen zoeken. Maar dat is het nou net, u bent nergens te vinden in dit Bijbelboek. Geen woord. Zelfs geen gewijde stilte. Hooguit een herinnering aan wie u voor ons bent, door het voor te lezen in de kerk. Zoals we u ook het liefste hebben, omlijst met orgelklanken en gewijde liederen. Je moet er toch niet aan denken dat u minsten even ver af of dichtbij die lallende feestvierders bent, die het onderscheid niet meer kunnen maken tussen goed en kwaad, als bij ons serieuze zinzoekers.

II
De kans is groot dat we nu toch gaan speuren naar de boodschap. Kijken onder elk woord en elke zinswending, of daar misschien een spoor van God te vinden is. Misschien gaat God verborgen in de permanente weigering van Mordochai om te knielen voor Haman, die door de koning boven alle vorsten is geplaatst. Misschien verbergt God zich in de voorschriften van het bedreigde volk, die verschillen van die van elke andere gemeenschap. En die maken dat ze de voorschriften van de koning niet uitvoeren. Daar zit toch iets recalcitrants in. Zo van: ‘Kom ik om, dan kom ik om’.

Maar telkens loop je er toch weer tegen aan dat het boek Ester weliswaar prachtig is gecomponeerd, maar dat de auteur het zelf niet al te serieus neemt. Daarvoor zijn het carnaval en het boek Ester te zeer aan elkaar gelinkt. Er is niet te zeggen wat er het eerst was: het boek of het feest. Maar het boek is hoe dan ook naar het feest toegeschreven. En dat relativeert weer de heldenmoed van Mordochai en ons ernstig knikken. We zijn hier immers niet in de gewone wereld. Dit is Oeteldonk of Lampegat. De bestuurders van de stad hebben de sleutels overhandigd aan de jonge vrouw die even koningin mag zijn. Ze heet Hadassa. Maar nu heet ze koningin Ester. Want het is carnaval! Alaaf!

Dat Maarten Luther het maar niks vond dat het boekje Ester de Bijbel gehaald heeft, is steeds beter te begrijpen. De Bijbel is toch de bron van alle godskennis. Het is het landschap waarin je Christus ontmoet. Ziel en zaligheid zijn daar te vinden. Om het maar even puntig reformatorisch te duiden. En daar hoort Ester dus bij. Zet het geluid maar uit, als je het boek leest. Want op de achtergrond klinken geen psalmen, maar carnavalskrakers.

Hoewel, helemaal bijbelvreemd is het boekje Ester ook weer niet. Het refereert aan ballingschap en aan bevrijding. En dat zijn thema’s die niet zijn weg te denken in de geloofsverhalen van Israël. Het woord ‘God’ kan gemist worden, maar zonder ballingschap en bevrijding zakt de Bijbel als een pudding in elkaar. We kunnen trouwens nog wel wat preciezer zijn. Haman blijkt in de verte er eentje van Agag te zijn. En de stamboom van Mordochai gaat terug tot op Kis, uit de stam Benjamin. En dat was de vader van koning Saul. Mordochai is dus familie van koning Saul. Zoals Haman van koninklijke bloede is via Agag.

Het gaat een beetje ver om hier dat hele verhaal uit te spinnen. Dat moet u thuis maar eens doen. Lees 1 Samuël 15. Koning Saul krijgt de opdracht om uit naam van de Eeuwige het hele volk van de Amalekieten af te slachten, hun koning Agag voorop. Zonder genade voor kinderen en zuigelingen en alle levende have. Zo ziet u maar weer, het kan een zegen zijn om een Bijbelboek te lezen waarin de naam van de Eeuwige niet genoemd wordt. Want een dominee kan honderd keer uitleggen dat Amalek het volk was dat Israël tijdens de tocht door de woestijn in de rug aanviel, – Uitgeput van de zoektocht naar een mokum. In de achterhoede waar de moeders met kleine kinderen te vinden waren en de ouden van dagen. – een genocide praat je niet recht. Nog even over koning Saul: met dat ‘zonder genade’ wist hij wel raad. Alles en iedereen ging er aan. Behalve koning Agag. Saul kon het niet laten om te pronken met een vernederde koning Agag. En ja, dan kruipt het bloed waar hen niet gaan kan en staat er vroeg of laat iemand als Haman op die met zijn haat wel weg weet.

III
Dat het boekje Esther een verhaal voor carnaval is en geen waar gebeurde geschiedenis, is een schrale troost. Net als historici gerede twijfel hebben of de religieus geïnspireerde genocide op het volk van de Amalekieten werkelijk heeft plaats gevonden. In beide gevallen weet je niet wat je met het verhaal aan moet. En ook niet met de Eeuwige, die in het ene verhaal geheel afwezig is, en die in het andere op een manier aanwezig is dat je nooit meer met hem te maken zou willen hebben.

We hebben onszelf toch ook serieus te nemen als geloofsgemeenschap, die zoekt naar zin en naar God en naar het goede voor deze wereld? En dan hoop je toch aanknopingspunten te vinden in de Bijbel, die de hoop levend houden en vertrouwen geven dat er een God is, die van mensen houdt? Dan wil je toch iets anders horen dan het commentaar van de Babylonische Talmoed bij het boek Ester dat iedereen op het Poerim feest zo dronken dient te worden dat niemand nog het verschil weet tussen ‘Vervloekt zij Haman!’ en ‘Gezegend zij Mordochai!’?

Nee, alcohol is slecht voor je. En al heel gauw. Maar weet u wat ook heel slecht voor ons is? Die serieuze blik. Het strakke mondje. Denken te weten wat goed is en ons permanent schuldig voelen dat we tekort schieten. Ach en wee roepen over president Trump, die ongegeneerd het eigen belang najaagt, maar daarin niet anders is dan de uitvergroting van onze eigen onbeschaamde kant. Die man is niet uit de hel omhoog gekropen. Hij is het product van een cultuur en een tijdsgewricht. Zoals wij dat ook zijn.

Dat is het mooie aan het boek Ester. Het dwingt je in de lachspiegel te kijken. Als je ziet wat voor een Jan Doedel die koning Achasjverosj is, terwijl hij toch de leider van de toenmalige wereld moet voorstellen. Een feestbeest. Te zelfingenomen om te kunnen regeren. Als je ziet hoe slecht die Haman is, die daar als een duveltje uit een doosje naast hem opduikt. Opzichtig slecht. En dan het weesmeisje van migranten dat het tot koningin schopt – de American Dream in optima forma – waarvan we smullen terwijl we weten dat die nep is. In alles is het kijken in de lachspiegel. Alsof de carnavalsparade aan je voorbij trekt. En dat je niet weet of je lachen moet of huilen. Want dat kwaad is er natuurlijk. En dat we het niet uit onze ziel hebben weten te houden, is zo langzamerhand ook wel duidelijk.

IV
Maar wat gun ik het ons om het gemeentezijn te vieren als carnaval! Wij leven van de grote omkering. Hier wordt de heer een knecht. En hier wordt de knecht een heer. We spelen het uit in de viering van het avondmaal. Het is onze identiteit. Ook al zegt de wereld dat er niks van klopt en zien wij er niets van terug in he het leven zijn beslag krijgt. Het is wel waar. Bij ons is het permanent carnaval. Wij spelen hier wat nog niet is: deze wereld omgekeerd. En ook al komt het er nooit van en huilen wij ons de ogen uit het hoofd om wat wij in deze wereld klaar spelen, wij blijven dit carnaval vieren. Omdat het ons gegeven is. En zo lang wij het blijven vieren, zal de hoop blijven leven dat het er ooit van zal komen: deze wereld omgekeerd. In de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest. Amen  

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.