Liefde is een werkwoord

Onder de grote boom hebben ze nog één keer met z’n drieën een spelletje gedaan. Nu is het tijd voor Jezus om op reis te gaan. Uit de rugzak had hij twee harten gehaald, een voor Mirjam en een voor Micha. ‘Ik houd van jou,’ staat er op. En daaronder: ‘Liefs, Jezus’.

‘Ik hang het hart boven mijn bed. Dan kan ik aan je denken als ik slapen ga,’ zegt Micha. ‘Dat is een mooie plek,’ zegt Jezus. ‘maar denk ook aan mij als je wakker wordt; als je je boterham eet met papa of mama; als je in de klas bent; als je speelt met je vriendjes. Want waar je samen bent en je een ander blij maakt (of troost als die verdrietig is), daar ben ik heel dichtbij. Zo dichtbij dat ik je aan kan raken.’

‘Hoe doe je dat dan?,’ vraagt Micha. ‘Dat zal je wel merken,’ zegt Jezus, ‘De ene keer met een knipoog van de zon op je gezicht. De andere keer met het ruisen van de wind, die met je haren speelt. En weer een andere keer door een verhaal dat je wordt verteld en jij in een keer zeker weet: Dit is een verhaal van Jezus!’

‘Kom je nog een keer terug?,’ vraagt Mirjam. ‘Ja, ik kom een keer terug,’  zegt Jezus, ‘en dan neem ik God met me mee.’ ‘Wanneer is dat?, vraagt Mirjam. ‘Als de liefde het gewonnen heeft,’ zegt Jezus. ‘als in elk hart een plekje is voor een ander, dan kom ik terug met God. En dan blijven we voor altijd.’

Kinderverhaal 8 mei 2016
Lezing: Johannes 14: 15-21
In de koffer: hartjesdoos met hartjes