Kinderverhaal: ‘Wat fijn dat ik tussen de mensen woon!’

Ze zijn boven op de berg. Het was een hele klim. Soms moesten ze op handen en voeten. Er werd weinig gezegd. Soms stak er een de hand uit om de ander omhoog te trekken. Maar nu zijn ze allemaal boven. De zon schijnt op Jezus. Het is net alsof hij licht geeft. ‘Vertel nog eens over Mozes, die Gods vriend was,’ vraagt Micha. Altijd straalde Mozes als ze samen waren geweest. Als Mirjam ziet hoe de wind met het haar van Jezus speelt, vraagt ze: ‘Vertel ook nog eens over Elia, die Gods stem hoorde in het fluisteren van de wind.’

Jezus vertelt. Ze zien het helemaal voor zich. Alsof Mozes en Elia er zelf bij zijn. En God heel dichtbij. ‘Als jij met ons praat, voel ik me nooit alleen,’ zegt Micha. ‘Als jij met ons praat, weet ik zeker dat God er is,’ zegt Mirjam. Simon knikt. Hij is ook mee omhoog geklommen. ‘Ik wil hier blijven,’ zegt hij. ‘Dichter bij God kun je niet komen. Laten we hier gaan kamperen.’

‘Dat hoeft niet,’ zegt Jezus. ‘Nog dichterbij dan boven op de berg; nog meer dan in de mooiste zonnestralen of in het zachte waaien van de wind langs je gezicht, woont God tussen de mensen. ‘Dag lief kind van mij, ik houd van je!,’ zegt God, als jij de tijd neemt om even ‘dag’ te zeggen tegen ouwe Bram die niks meer kan. Of als je vraagt hoe het gaat met Job, die zo veel pech gehad heeft. Of als je een liedje zingt voor Hanna, die nooit in het zonnetje wordt gezet. Dan hoor ik God hardop denken: ‘Wat fijn dat ik tussen de mensen woon en niet in een hemel ver weg.’

Micha springt in de benen. Hij zoekt het pad op naar beneden. ‘Ga je nu al?,’ vraagt Simon. Micha knikt. ‘Ik heb een afspraakje met God,’ zegt hij. ‘Ik ga thee drinken bij ouwe Bram en even een praatje met hem maken.’

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *