Kinderverhaal: Verhalen vertellen

Op het bankje onder de grote boom is een plekje vrij. Want Jezus is weg. ‘Zullen we hem zoeken?,’ vraagt Micha. ‘Ik mis zijn verhalen.’ ‘Maar waar moeten we zoeken?,’ vraagt Mirjam zich af. Micha denkt na. ‘In het sprookje van Kleinduimpje wezen de kiezelsteentjes de weg,’ zegt hij. ‘Misschien heeft Jezus ook iets achter gelaten. Zodat we hem terug kunnen vinden.’
Mirjam speurt de heuvel af. ‘Ik zie wat,’ zegt ze. Ze rennen de heuvel af. Met hun blote voeten waden ze door de rivier. Aan de overkant ligt een steen. Met daaronder een papier. Micha raapt het op. Er staat een meisje op. ‘Ik ken dat meisje uit de verhalen van Jezus,’ zegt Micha. ‘Jezus pakte haar hand. Het is het meisje dat op eigen benen kan staan. Ik neem haar mee.’
Mirjam en Micha lopen verder. In de wei ligt weer een steen. Met een plaatje. Mirjam plukt een paardenbloem. Ze blaast de pluisjes weg. ‘Ken je het verhaal van Pluisje nog?,’ vraagt ze. Micha weet het nog precies. ‘Je hoeft niet groot of sterk te zijn om Gods lieveling te zijn,’ zegt hij.
Het wordt nacht. En donker. Micha steekt een kaars aan. En hij schreeuwt heel hard, zodat alle monsters terug gaan in hun hol. Samen delen ze een boterham. Ze houden bij elkaar de wacht. Totdat de zon opkomt. Ze reizen verder. Steeds weer vinden ze een nieuwe steen met een plaatje. En ze herinneren zich een verhaal.

Na drie dagen zien ze in de verte een heuvel met een grote boom. Micha kijkt Mirjam beteuterd aan. ‘Dat is onze heuvel en onze grote boom,’ zegt hij. ‘We hebben een rondje gelopen. En Jezus niet gevonden.’
Maar op het bankje ligt een pakje. Met daarop een brief. Dit staat erin: ‘Lieve Mirjam en Micha. Ik hoorde van jullie reis. Jullie zochten mij om het verhaal te vertellen. Maar jullie kunnen het zelf ook. In elk verhaal dat je vertelt, ben ik erbij. Vertel ze verder. Aan iedereen. Zoek de mensen op. Blijf vertellen. En blijf luisteren. Lieve groet, Jezus.’
Mirjam opent het pakje. Er zit een boekje in. ‘De tien mooiste verhalen van Mirjam en Micha,’ leest ze. Ze zijn er even stil van. En dan rennen ze hand in hand de heuvel af.

Lezing: psalm 119: 105
In de koffer: een pakje met het boekje

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *