Skip to main content

Kinderverhaal: Mag ik er even langs?

“Mensen, mensen, wat een mensen,” fluistert Mirjam. “Als ik een plas moet, dan doe ik het daar in een hoekje,” zegt Micha, “Je kunt hier geen kant op!”. Ze moeten lachen. “Niet lachen,” zegt hij, “straks moet ik nog echt.”

Het is wel gek, vindt Mirjam: Jezus praat over God die mensen ruimte wil geven – om te spelen en te leven en om lief te hebben. En dat Hij wil dat mensen elkaar ook ruimte geven. Maar hier staan ze op elkaars tenen en in elkaars licht, om het te kunnen horen.

Dan horen ze gerommel op het dak. Ineens valt er zonlicht naar binnen. Frisse lucht stroomt door het huis. Mirjam kijkt omhoog en ziet de blauwe hemel. Daar is de ruimte waar Jezus over praat. Het dak is open gebroken. Ze zien een matrasje verschijnen in het gat. Op het matrasje ligt een man. Vier anderen houden het met touwen vast. Ze laten hem voorzichtig zakken voor de voeten van Jezus.

Die moet lachen. De man niet. Hij kijkt wat hulpeloos. Toen hij nog kon staan, stond hij altijd achteraan. En nu hij alleen nog maar kan liggen, ligt hij plotseling vooraan. Met de zon in zijn gezicht. Hij weet niet waar hij kijken moet. Jezus wel. Hij kijkt naar boven en naar de man. Dan zegt hij tegen hem: “Denk jij dat het zo hoort dat jij niet meer speelt en leeft en lief hebt? Denk jij dat jij niet mee telt? Kijk naar boven. Zie je vrienden. Voel de lach van God op je gezicht. Ga maar staan. Kijk de mensen aan. En zeg: “Hier kom ik aan! Mag ik er even langs?”

En zo gebeurt het. Iedereen is stomverbaasd als hij tussen de mensen doorloopt. Naar buiten. Naar huis. De ruimte tegemoet.

“Zo moet je dat doen als je plassen moet,” zegt Mirjam.

Lezing: Marcus 2, 1 – 12 (Matteüs 9, 1 – 8)
In de koffer: de zon

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *