Kinderverhaal: “Leven hè Maria? Leven!”

Lezing: Johannes 20, 1 – 18

Micha en Mirjam liggen in het grote bed. “Ik denk dat ik de hele dag in bed blijf,” gaapt Mirjam. Micha zucht: “En ik sta nooit meer op.” Waarom zouden ze ook? Er is toch niks meer aan. Jezus is er niet meer. Vorige week zat Hij nog op een ezel. Het werd een groot feest. En nu is Hij dood. Het is niet te geloven.

Ze zeggen een tijdje niks. Maar daar is ook niks aan. “Altijd maakte hij je blij,” zegt Mirjam ineens. “Laten we elkaar verhalen vertellen over Jezus. Misschien worden we dan vanzelf weer blij.” Micha kruipt onder zijn dekbed. “Ik wil niks zien en ook niks horen,” zegt hij, “Daar word ik alleen maar verdrietiger van. Ik wil geen verhalen over hem. Ik wil hem erbij. ‘Micha, moet je horen,’ zei hij altijd. Dát wil ik horen. Zijn stem die mijn naam noemt.”

Dan horen ze een deur slaan. Iemand rent de trap op. Micha gooit van schrik zijn dekbed af. Wat is dat nou? Brand of zo? Het is Maria. De deur vliegt open. “Mirjam, Micha, moet je horen!”, roept ze. Ze kijkt zo blij. Ze straalt als de zon die net door het raam naar binnen piept. “Mirjam, Micha, moet je horen,” roept ze nog een keer.

“Ik heb Jezus gezien vanmorgen. Het was nog maar net licht. Maar hij was het echt. Ik zag hem pas toen hij mij zag. Hij zei: ‘Maria!’ En toen wist ik het. Zo kon hij dat alleen maar zeggen. “Leven hè Maria? Leven! Net als ik leef,” zei hij.

Mirjam kijkt Micha aan. Tegelijk springen ze in de benen en maken een dansje op het bed. Niet omdat ze die gekke Maria direct geloven. Maar omdat Jezus altijd een dansje met hen maakte, als hij dat zei: “Leven hè Micha?; Leven hè Mirjam? Leven!”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *