Kinderverhaal: Eenzaam en Tweezaam

Mirjam wijst het huis aan: ‘Daar woonde hij.’ Er is iemand gestorven. Niemand kende hem. Hij kwam heel weinig buiten. ‘Ik heb hem wel eens dag gezegd,’ zegt Micha, ‘Maar ik weet zijn gezicht niet meer.’ Als niemand je kent, mist ook niemand jou als je er niet meer bent. En toch zijn de mensen verdrietig. Omdat hij eenzaam is gestorven.

‘Wat is eenzaam?,’ vraagt Mirjam. ‘Als je nooit meer iemand jouw voornaam hoort noemen,’ zegt Jezus. ‘Als je meneer huppeldepup wordt, maar geen echte meneer bent. Of ‘die daar’. Of dat niet eens.’

‘Bestaat er ook tweezaam?,’ vraagt Micha. Dat is een mooi woord! Jezus wordt er helemaal blij van. ‘Jullie zijn tweezaam,’ zegt Jezus. ‘Zelfs als jullie alleen zijn, zijn jullie nog tweezaam. Want je denkt aan elkaar. En je weet: ‘Straks zie ik Mirjam weer’ ‘Straks komt Micha er aan’

‘Is die eenzame man nou bij God?,’ vraagt Mirjam. Jezus knikt. ‘Dan is hij nu ook tweezaam,’ zegt Micha. Jezus knikt weer. ‘Ik denk dat God hem wakker maakt door in zijn oor te fluisteren, zoals zijn moeder dat ooit gedaan heeft. God fluistert zijn voornaam in het oor.’ Maar het is wel wat laat, vindt Jezus. Je voornaam horen noemen, Tweezaam zijn, daar ben je voor geboren.

‘Misschien zijn de mensen daarom wel zo verdrietig,’ zegt Mirjam. ‘Want iedereen weet dat je tweezaam hoort te zijn. Niet eenzaam.’ Mirjam, Micha en Jezus gaan naar de begrafenis. Ze hebben geen kaart gehad. Ze weten niet hoe de man heette. Bij het graf pakt Jezus zijn bijbeltje en hij leest hardop: ‘Heer, u weet alles van mij. U kent mij. Ik vind het een wonder dat u mij zo goed kent. Ik kan het niet begrijpen.’ (Psalm 139, 1 en 6 BGT)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.