Kinderverhaal: Een koning op een ezel

Het is feest in de stad. De stad heeft een prijs gewonnen. De stad is gekozen als de mooiste stad van het land. Mirjam en Micha gaan er naar toe. En heel veel vriendjes. En grote mensen. Met z’n allen naar de stad!

Jezus gaat met de kinderen voorop. Hij vraagt: ‘Wat maakt de stad zo mooi?’ ‘Het park,’ zegt Mirjam. ‘Het zwembad,’ roept Micha. Iedereen weet wel wat te noemen. ‘En hoe kan de stad nog mooier worden?,’ vraagt Jezus. ‘Als er werk is voor mama,’ zegt Bram. ‘Als er elke dag een warme maaltijd is voor Saar,’ zegt Hanna. Ze verzinnen nog veel meer. ‘Als het grote plein een speelplein wordt.’ ‘Als Aysa er mag blijven wonen en niet terug hoeft naar haar eigen land.’ Ze maken de stad steeds mooier.

‘En jij moet onze koning worden, Jezus,’ zegt Mirjam, ‘dan komt het allemaal wel goed.’ ‘Waar is hier een gouden koets met paarden?,’ roept Micha. Jezus schudt zijn hoofd. Hij lacht. ‘Ik wil wel jullie koning zijn,’ zegt hij, ‘maar dan een koning op een ezeltje. We verkopen de gouden koets en het geld geven we aan Aysa en aan Saar en aan de moeder van Bram, die dan een winkeltje beginnen kan.’

‘Daar staat een ezeltje,’ zegt Jezus tegen Mirjam en Micha, ‘ga het maar halen!’ Als ze het ezeltje hebben losgemaakt van het hek, roept de boer: ‘Hé, waar ga je met m’n ezeltje heen?’ ‘Naar koning Jezus,’ roepen ze terug. En ze zwaaien naar de boer. Hij schudt zijn hoofd en zegt tegen zichzelf: ‘Die Jezus, dat is me er eentje.’

Lezing: Lucas 19: 29 – 40
In de koffer: Palmpasenstok

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.