Skip to main content

Kinderverhaal: Eén kaarsje nog

“Haal jij de ballen uit de boom, dan doe ik de kaarsjes,” zegt Micha. Mirjam en Micha zijn in de tempel. Bij Hanna en Simeon. Die zijn al oud. Daarom helpen Mirjam en Micha ze vaak.

“Hé, de adventskaarsjes branden nog,” wijst Mirjam. Ze loopt er naar toe en blaast ze uit. Maar Simeon vraagt: “Laat je er eentje branden?” Mirjam kijkt verbaasd. “Maar advent is toch afgelopen?,” vraagt ze. “We hebben elke week een kaarsje aangestoken, omdat we wachtten op het kerstkind. Maar het wachten is voorbij.”

“Ik heb ook heel lang gewacht,” zegt Simeon. “Totdat de dag kwam dat ik Jezus hier zelf heb gezien. Ik heb Hem vastgehouden in mijn eigen armen. Wat was ik gelukkig. Ik ging er zelfs van zingen.”

“Maar dan kunnen de kaarsjes toch uit?” vraagt Micha. Hanna schudt haar hoofd. “We hebben gewacht op de komst van Jezus,” zegt ze. “En Hij is gekomen. Maar de vrede die Hij brengen zou, is nog niet overal. Daar wachten we op. En daarom houden we nog een kaarsje aan.”

Hanna tilt het kaarsje voorzichtig op. Ze zegt: “Dit kaarsje brengt hoop. Maar het laat ons ook zien waar het nog donker is. En dat het daar soms nog een zooitje is.” Nu zien Mirjam en Micha het ook. In de hoek ligt het nog vol met dennennaalden.

Mirjam en Micha pakken een bezem en vegen de donkerste hoekjes schoon. Micha kijkt nog eens goed rond. “Volgens mij zij we nu echt klaar,” zegt hij. “Toch jammer dat het weer voorbij is,” zucht Mirjam.

Maar op de tafel brandt nog een kaarsje. Dat vertelt dat
Advent voorbij is. En Kerst ook. En toch is alles nu pas begonnen.

Lezing: Lucas 2:22-40
In de koffer: een kaarsje

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *