Kinderverhaal: een bang land

“Als jij een verhaal vertelt, lijkt het net alsof ik er zelf in voor kom,” zegt Mirjam. Ze zitten weer met z’n drieën onder de grote boom – Jezus, Micha en Mirjam. “Jij komt er ook in voor,” zegt Jezus, “En Micha ook. En ik. Een verhaal is net een tijdmachine. Lang geleden wordt nu. Het wordt jouw verhaal.”

In dit verhaal zijn we asielzoekers. We wonen in een land waar we niet geboren zijn. We hadden honger en in dat land was brood. “Kom maar. Er is genoeg voor iedereen,” zei de koning van dat land. Maar dat is al weer lang geleden. Nu kijken ze ons niet meer aan. Ze zeggen: “Dit is ons land. Niet jullie land.” Het is een bang land geworden.

En de koning is gek geworden. Micha en Mirjam mogen niet meer naar school, maar moeten werken. “Straks worden de buitenlanders de baas hier,” zegt hij. “Laat ze maar hard werken. Laat ze banken voor ons bouwen. En houd ze arm. Laat ze maar weten wie hier de baas is. Dat ben ik. En dat zijn wij. Niet zij.” Het is een bang land geworden.

Micha heeft gehoord dat de koning alle pas geboren jongetjes wil dood maken die niet van zijn volk zijn. “Dan sterft dat vreemde volk vanzelf uit,” had die gezegd. Gelukkig waren de verloskundigen wijzer. Elk kindje is een wonder. Ze lieten de jongetjes leven. “Als die vrouwen niet naar me luisteren, heb ik altijd nog mijn soldaten,” schreeuwde de koning. Hij gaf een bevel aan zijn generaals: “Elk pas geboren jongetje van dat vreemde volk, moet je in de rivier gooien.” “Ik wou dat ik in dit verhaal niet voorkwam,” zucht Mirjam. “Wat dacht je van mij?,” zegt Micha, “Ik ben een jongetje.” “Maar als ik later groot ben, wil ik net zo stoer zijn als die verloskundigen” zegt Mirjam.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.