Kinderverhaal: de herdershonden van Jezus

Johannes 10, 22 – 30

Jezus, Mirjam en Micha staan aan de rand van een open veld. Een kudde schapen is er aan het grazen. De herder zit op een grote zwerfkei. Hij eet zijn boterham en let ondertussen goed op. Een paar schapen lopen wel heel erg aan het randje van het veld. De herder zegt wat tegen zijn hond. Die komt direct in beweging. Hij loopt om die paar schapen heen. Ze schrikken en lopen gauw terug naar de kudde. Zo gaat dat.

‘Zijn schapen dom?,’ vraagt Micha. ‘Kunnen ze zelf niet opletten?’ ‘En waarom moeten ze terug naar de kudde?,’ vraagt Mirjam. ‘Soms moet je toch ook even je eigen dingetje kunnen doen?’ Want spelen in een grote groep is leuk. Maar niet altijd.

Jezus denkt niet dat schapen dom zijn. ‘Schapen zijn kuddedieren. Ze kunnen goed tegen de kou. Maar ze kunnen zich in hun eentje niet goed beschermen tegen een wolf of een wilde hond,’ zegt hij. ‘Samen staan ze sterker’.

‘Mensen kunnen wel wat leren van schapen. Van elk mens is er maar een. Om trots op te zijn. Maar ook om zuinig op te zijn. We hoeven niet alles alleen te kunnen. Om mooi te zijn hoef je niet sterk te zijn. Er wordt van je gehouden. En daarom ben je mooi. De herder houdt van zijn schapen. Dat maakt de herder sterk. Hij is geen vechtmachine. Zo’n herder wil ik zijn,’ zegt Jezus. ‘Niemand kan de mensen uit mijn hart roven.’

‘Dan willen wij jouw herdershonden zijn,’ zegt Micha. Mirjam knikt. ‘Wij vertellen jouw verhalen verder,’ zegt ze. ‘Want die verhalen brengen al die mooie eigenwijze mensen dichter bij elkaar.’       

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.