Kinderverhaal: Ik zie, ik zie, wat jij niet ziet

Mirjam en Micha doen het spelletje ‘Ik zie, ik zie, wat jij niet ziet’. Dat blijft spannend want er is zo veel te zien. Ze wandelen met Jezus naar Jeruzalem. En ze zijn niet alleen. Het lijkt de Vierdaagse wel. Zo veel mensen. Als ze in Jeruzalem aankomen, kan het grote feest beginnen. Maar zo ver is het nog niet. Ze lopen net het stadje Jericho uit.

‘Ik zie, ik zie, wat jij niet ziet en de kleur is groen!, geel!, rood!, blauw!.’ Overal is kleur. “Ik zie, ik zie, wat jij niet ziet, en de kleur is grijs,” zegt Micha dan. Mirjam ziet het direct. Het is de blinde man langs de kant van de weg. Ze hoefde niet eens te zoeken. Hij schreeuwt ook zo hard. “Jezus, Zoon van David, zie je me wel? Zie je me wel zitten?” De mensen vinden hem maar niks. “Hou je grote mond!” Maar hij blijft om Jezus roepen: “Jezus, Zoon van David, zie je me wel?”

“Jouw vader heet toch geen David?,” zegt Micha. “Nee,” zegt Jezus, “maar misschien ziet hij wel iets wat jij niet ziet.” Jezus roept hem. De man springt in de benen. Jezus vraagt: “Wat wil jij dat ik voor je doe?” Kijk, dat is wat alle kinderen van koning David als eerste moeten vragen. Niet snauwen: “Kop houden!”. Of: “Weg wezen!” Maar vragen: “Wat wil jij dat ik voor je doe?”

De blinde man zegt: “Dat ik weer zelf mag kijken waar ik heen wil gaan. Dat ik weer mee mag doen.” “Dat is goed,” zegt Jezus. “Jij zag met je ogen dicht al wat niemand zag, dat ik een Zoon van David ben. Nu mag je kijken met je eigen ogen waar je heen wilt gaan. Niemand hoeft meer tegen jou te zeggen: “Hierheen!” Of: “Daarheen!” Of: “Blijf daar maar zitten en verroer je niet.”

De blinde man spert zijn ogen open. Hij zegt: “Ik zie dat je naar Jeruzalem gaat. Ik wil met je mee.” “Dat is mooi,” zegt Mirjam. “Dan kun je mooi mee doen met het spelletje ‘Ik zie, ik zie, wat jij niet ziet.’”

Lezing:    Marcus 10: 46 – 52
In de koffer: een bril